Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2022:12486 ECLI:NL:RBDHA:2022:12486 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:12486 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2022:12486
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 19/8042 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2022 in de zaak tussen [eiser] te [woonplaats] , België, eiser, en het Centraal Administratie Kantoor (CAK), verweerder (gemachtigde: mr. J.M. Nijman). Procesverloop Het CAK oefent vanaf 1 januari 2017 in zaken als deze de bevoegdheden uit die vanaf 1 april 2014 door het Zorginstituut Nederland werden uitgeoefend. Bij besluit van 3 april 2019 heeft verweerder de jaarafrekening met betrekking tot de buitenlandbijdrage ingevolge de Zorgverzekeringswet voor het zorgjaar 2017 definitief vastgesteld op € 5.669,87.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBDHA:2022:12486 · Rechtbank Den Haag: In beroep heeft eiser zich tegen het bestreden besluit gekeerd. Zijn standpunt komt er samengevat op neer dat de beslissing op bezwaar artikel 4, derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), artikel 33 van de Vo 1408/71, respectievelijk artikel 30 van de Vo 883/2004 en de arresten Nikula (C-50/05) en Hoogstad (C-212/15) van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) schendt. Volgens eiser kan uit de Vo 1408/71 en de Vo 883/2004 geen inhoudingsrecht over private pensioenen worden afgeleid. Hij verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar het Beets-Proper arrest.

Keywords

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2013:1466
Centrale Raad van Beroep 12/4866 ZVW, 12/4891 ZVW Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 25 juli 2012, 10/2894 en 11/3575 (aangevallen uitspraken) Partijen: [appellant] te [woonplaats], België (appellant) het College voor zorgverzekeringen (Cvz) PROCESVERLOOP Appellant heeft de hoger beroepen ingesteld. Cvz heeft verweerschriften ingediend. Appellant heeft de Raad nog nadere stukken doen toekomen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2013. Appellant is - met bericht van verhindering - niet verschenen.
ECLI:NL:CRVB:2015:4984
13/2381 ZVW, 13/2382 ZVW, 13/4425 ZVW, 13/4426 ZVW, 13/4427 ZVW Datum uitspraak: 30 december 2015 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 3 april 2013, 12/2704 en 12/3497 en van 10 juli 2013, 12/6467, 12/6471 en 12/6472 (aangevallen uitspraken) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] , België (appellant) Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz) PROCESVERLOOP Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut per 1 april 2014 de bevoegdheden uit die voorheen door het Cvz werden uitgeoefend.
ECLI:NL:CRVB:2018:1365
157967 ZVW, 16/3221 ZVW, 17/3837 ZVW, 17/3838 ZVW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 10 november 2015 (14/7453), 22 april 2016 (15/7654) en 7 april 2017 (16/7695 en 16/7697) (aangevallen uitspraken) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [Appellant] te [woonplaats], België (appellant) CAK Datum uitspraak: 9 mei 2018 PROCESVERLOOP Vanaf 1 januari 2017 oefent CAK in zaken als deze de bevoegdheden uit die voorheen door het Zorginstituut Nederland en daarvoor door het College voor zorgverzekeringen werden uitgeoefend.
ECLI:NL:RBDHA:2019:11215
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 17/4844 uitspraak van de meervoudige kamer van 21 oktober 2019 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats ] , België, eiser, en het Centraal Administratie Kantoor (CAK), verweerder (gemachtigde: mr S.G.S. Koning). Procesverloop Het CAK oefent vanaf 1 januari 2017 in zaken als deze de bevoegdheden uit die vanaf 1 april 2014 door het Zorginstituut Nederland (ZIN) en daarvóór door het College voor zorgverzekeringen (Cvz) werden uitgevoerd. Bij besluit van 18 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek van 10 januari 2017 om herziening van de definitieve jaarafrekeningen van 2006 tot en met 2010 afgewezen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 19/8042 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2022 in de zaak tussen [eiser] te [woonplaats] , België, eiser, en het Centraal Administratie Kantoor (CAK), verweerder (gemachtigde: mr. J.M. Nijman). Procesverloop Het CAK oefent vanaf 1 januari 2017 in zaken als deze de bevoegdheden uit die vanaf 1 april 2014 door het Zorginstituut Nederland werden uitgeoefend. Bij besluit van 3 april 2019 heeft verweerder de jaarafrekening met betrekking tot de buitenlandbijdrage ingevolge de Zorgverzekeringswet voor het zorgjaar 2017 definitief vastgesteld op € 5.669,87.

Eiser heeft tegen die beslissing bezwaar gemaakt, welke bezwaren door verweerder bij beslissing van 5 november 2019 (het bestreden besluit) ongegrond zijn verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Overwegingen 1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.1.1 De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.1.2 Eiser is geboren op [geboortedag] 1942, heeft de Nederlandse nationaliteit en woont sinds 5 maart 2003 met zijn gezin in België.

Tot 1 juli 2004 heeft hij gewerkt bij [instituut] in Delft. Van 1 juli 2004 tot 1 mei 2007 heeft eiser een tijdelijk (vervroegd) ouderdomspensioen van de Stichting Pensioenfonds [instituut] ontvangen, welk pensioen is gebaseerd op de Pensioenspaarregeling [instituut] . Sinds 1 mei 2007 ontvangt hij een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW), alsmede een bedrijfspensioen van [instituut] . Eiser is door het College voor zorgverzekeringen (Cvz) ingevolge de Zvw als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft daarom met toepassing van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71) en vanaf 1 mei 2010 met toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004) recht op zorg in het woonland België, ten laste van pensioenland Nederland.

Voor dit recht op zorg is eiser een buitenlandbijdrage verschuldigd die wordt ingehouden op zijn pensioenen.

2. Verweerder heeft het bezwaar tegen de definitieve vaststelling van de jaarafrekening inzake de buitenlandbijdrage voor het zorgjaar 2017 bij bestreden besluit van 5 november 2019 ongegrond verklaard.

3. In beroep heeft eiser zich tegen het bestreden besluit gekeerd. Zijn standpunt komt er samengevat op neer dat de beslissing op bezwaar artikel 4, derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), artikel 33 van de Vo 1408/71, respectievelijk artikel 30 van de Vo 883/2004 en de arresten Nikula (C-50/05) en Hoogstad (C-212/15) van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) schendt. Volgens eiser kan uit de Vo 1408/71 en de Vo 883/2004 geen inhoudingsrecht over private pensioenen worden afgeleid. Hij verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar het Beets-Proper arrest.

Nederland zou volgens eiser welbewust bedrijfspensioenen niet onder de verordeningen hebben gebracht.4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling van eisers beroep.4.1 Eiser heeft allereerst aangevoerd dat verweerder geen bevoegd orgaan is als bedoeld in artikel 33 van de Vo 1408/71 en artikel 30 van de Vo 883/2004 en daarom niet bevoegd tot heffing en inning van de buitenlandbijdrage ingevolge de Zvw. De rechtbank stelt vast dat eiser dit standpunt ook al heeft ingenomen in hoger beroepsprocedures tegen de rechtsvoorgangers van het CAK (het College voor zorgverzekeringen en het Zorginstituut Nederland) met betrekking tot eerdere jaarafrekeningen.

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft toen eisers standpunt uitgebreid besproken, maar niet onderschreven. De rechtbank verwijst kortheidshalve naar de in voetnoot 4 genoemde uitspraken van de CRvB en sluit zich bij de daarin gegeven oordelen aan. 4.2 Eisers beroepsgrond dat zijn bedrijfspensioen niet valt onder de Vo 1408/71, dan wel de Vo 883/2004 en dat dit pensioen daarom niet mag worden betrokken bij de berekening van de buitenlandbijdrage, treft evenmin doel. In een aantal uitspraken van de CRvB is uitgebreid gemotiveerd bepaald dat het Unierecht zich niet verzet tegen het betrekken van eisers bedrijfspensioen bij de berekening van de buitenlandbijdrage.

Dit oordeel gold eerdere zorgjaren. De rechtbank ziet geen aanleiding daarover voor het zorgjaar 2017 anders te oordelen. 4.3 Eiser heeft aangevoerd dat de CRvB in zijn uitspraak van 9 mei 2018 en ook deze rechtbank in haar uitspraak van 21 oktober 2019 ten onrechte aan het Nikula arrest argumenten heeft ontleend dat bij de berekening van de buitenlandbijdrage aanvullende (bedrijfs)pensioenen mogen worden betrokken. De rechtbank deelt ook dit standpunt van eiser niet. Even los van eisers betoog dat in de casus van Nikula sprake was van twee wettelijke pensioenen en niet ook van een aanvullend privaat pensioen, acht de rechtbank het belangrijker dat het HvJ in dit arrest heeft overwogen dat het een aangelegenheid is van de wetgever van elke betrokken lidstaat ten laste waarvan de zorg wordt verstrekt en die op grond van artikel 33 van de Vo 1408/71 bevoegd is om in verband daarmee een bijdrage te heffen, om in zijn regelgeving vast te leggen, welke inkomsten voor de berekening van de sociale zekerheidspremies in aanmerking moeten worden genomen.

Volgens het HvJ verbiedt geen enkele bepaling van de Vo 1408/71 de lidstaat om het bedrag van de sociale bijdragen te berekenen over de totale inkomsten van de betrokkene (punt 25 van het arrest). De CRvB heeft in zijn in voetnoot 6 genoemde uitspraak al uitgemaakt dat deze rechtspraak van het HvJ zijn gelding heeft behouden ten aanzien van de toepassing van artikel 30 van de Vo 883/2004. De rechtbank sluit zich bij het oordeel van de CRvB aan. 4.4 Eisers verwijzing naar het Hoogstad-arrest leidt evenmin tot een ander oordeel. De CRvB heeft al eerder uitgemaakt dat het Hoogstad-arrest niet op eisers situatie van toepassing is.

De rechtbank ziet geen grond dat dit in het huidige beroep anders zou zijn en neemt dat oordeel hier over. Voor een uitgebreide motivering verwijst de rechtbank naar de in voetnoot 8 genoemde uitspraak. 4.5 Eisers verwijzing naar het Beets-Proper-arrest leidt ook niet tot een ander oordeel. In dit arrest kwam de vraag of een buitenlandbijdrage op grond van de Zvw geheven mocht worden over een bedrijfspensioen niet aan de orde.

5. Het beroep is kennelijk ongegrond.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 7 november 2022 door mr. R.T. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. ECLI:EU:C:2006:493 ECLI:EU:C:2016:802 ECLI:EU:C:1986:86 Zie de uitspraken van 19 juli 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:1466; r.o. 4.7 en van 30 december 2015; ECLI:NL:CRVB: 2015:4984; r.o. 4.3 zie de uitspraken van 19 juli 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:1466, van 30 december 2015; ECLI:NL:CRVB:2015:4984 en van 9 mei 2018; ECLI:NL:CRVB:2018:1365 ECLI:NL:CRVB:2018:1365 ECLI:NL:RBDHA:2019:11215 ECLI:NL:CRVB:2018:1365