Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2022:11074 ECLI:NL:RBDHA:2022:11074 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:11074 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2022:11074
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.18584 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. J.W.J. van den Broek), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J. Visschers). Procesverloop Bij besluit van 15 september 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond dat Roemenië verantwoordelijk is. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft op 20 oktober 2022 plaatsgevonden in Breda. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. Niet in geschil is dat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:11074 · Rechtbank Den Haag: Gelet op de beroepsgronden moet beoordeeld worden of Nederland de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag aan zich had moeten trekken.

Keywords

AI generated
Dublin transfer to Croatia applicability of Dublin regulation international protection principle of non-refoulement Roma asylum application renvoi

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBDHA:2022:5724
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: NL22.6989 VERWIJZINGSUITSPRAAK uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 1992 in Saudi-Arabië, van Syrische nationaliteit, eiser, (gemachtigde: mr. A. Khalaf), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs). Verzoek aan het Hof van Justitie van de Europese Unie tot het beantwoorden van prejudiciële vragen in een versnelde procedure (PPA) I Dient de Dublinverordening, gelet op punten 3, 32 en 39 van de considerans en gelezen in samenhang met artikelen 1, 4, 18, 19 en 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd en toegepast dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet deelbaar is, zodat ernstige en stelselmatige schendingen van het Unierecht die door de mogelijk verantwoordelijke lidstaat worden begaan vóór overdracht ten aanzien van derdelanders die (nog) geen Dublinterugkeerder zijn absoluut in de weg staan aan overdracht aan deze lidstaat? II Dient artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, indien de vorige vraag ontkennend wordt beantwoord, gelezen in samenhang met artikelen 1, 4, 18, 19 en 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd dat indien de mogelijk verantwoordelijke lidstaat op ernstige en stelselmatige wijze het Unierecht schendt, de overdragende lidstaat in het kader van de Dublinverordening niet voetstoots van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan, maar elke twijfel moet wegnemen dan wel aannemelijk moet maken dat de verzoeker na overdracht niet in een situatie zal geraken die in strijd is met artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie? III Met welke bewijsmiddelen kan de verzoeker zijn argumenten dat artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, aan zijn overdracht in de weg staat staven en welke bewijsmaatstaf dient hierbij te worden gehanteerd? Heeft de overdragende lidstaat, gelet op de verwijzingen naar het Unieacquis in de considerans van de Dublinverordening, een samenwerkingsplicht en/of vergewisplicht, dan wel dienen er, indien sprake is van ernstige en stelselmatige schendingen van grondrechten ten aanzien van derdelanders, individuele garanties te worden verkregen van de verantwoordelijke lidstaat dat na overdracht de grondrechten van de verzoeker (wel) worden geëerbiedigd? Luidt de beantwoording van deze vraag anders als de verzoeker in bewijsnood verkeert indien hij zijn consistente en gedetailleerde verklaringen niet met documenten kan staven, terwijl dit gelet op de aard van de verklaringen niet kan worden verwacht? IV Luidt de beantwoording van de voorgaande vragen onder III anders indien de verzoeker aannemelijk maakt dat klagen bij de autoriteiten en/of het aanwenden van rechtsmiddelen in de verantwoordelijke lidstaat niet mogelijk en/of niet effectief zal zijn? Verzoek aan het Hof van Justitie tot het behandelen en beantwoorden van de prejudiciële vragen in een versnelde procedure op grond van artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie ( PPA ) .
ECLI:NL:RVS:2022:2521
202205037/1/V3 en 202205037/2/V3.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.18584 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. J.W.J. van den Broek), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J. Visschers). Procesverloop Bij besluit van 15 september 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond dat Roemenië verantwoordelijk is. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft op 20 oktober 2022 plaatsgevonden in Breda. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. Niet in geschil is dat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.

2. Gelet op de beroepsgronden moet beoordeeld worden of Nederland de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag aan zich had moeten trekken.

3. Eiser stelt dat er in Roemenië pushbacks plaatsvinden. Dit moet gezien worden als een fundamentele systeemfout in de asielprocedure. Daarom mag ten aanzien van Roemenië niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. Volgens eiser is het interstatelijk vertrouwensbeginsel namelijk niet deelbaar. Hij verwijst naar de prejudiciële vragen die door deze rechtbank, zittingsplaats ’s Hertogenbosch, zijn gesteld.

4. Eiser wordt gevolgd in zijn stelling dat pushbacks een ernstige schending betekenen van het in de Europese asielrichtlijnen gegarandeerde recht om internationale bescherming te vragen. Maar niet gebleken is dat pushbacks in Roemenië plaatsvinden op andere plaatsen dan aan de buitengrenzen. Dat betekent dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser, als Dublinclaimant, wordt geraakt door de praktijk van pushbacks. Anders dan eiser heeft gesteld, is dat wel degelijk van belang voor de beoordeling in deze zaak. Ook de hoogste bestuursrechter in vreemdelingenzaken heeft onlangs nog geoordeeld dat ten aanzien van Roemenië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Deze uitspraak is gedaan nadat de prejudiciële vragen zijn gesteld; deze vragen hebben dus niet geleid tot een andere beoordeling. De stelling dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ondeelbaar is, wat daar ook van zij, kan dus ook niet leiden tot het oordeel dat in dit geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2022 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. ECLI:NL:RBDHA:2022:5724. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 31 augustus 2022 in de uitspraak met nummer ECLI:NL:RVS:2022:2521.