Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2021:8944 ECLI:NL:RBDHA:2021:8944 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2021:8944 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2021:8944
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL21.5934 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam], eiser V-nummer: [Nummer] (gemachtigde: mr. drs. J.M. Walls), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 19 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank doet op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting. Overwegingen 1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geb. datum] 1993 en de Malinese nationaliteit te bezitten. Hij heeft op 11 februari 2021 in Nederland een asielaanvraag ingediend.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2021:8944 · Rechtbank Den Haag: Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de omstandigheden die betrekking hebben op de coronapandemie niet bijzonder en individueel zijn. De coronapandemie raakt immers alle Dublinclaimanten die terug moeten naar Duitsland, maar ook asielzoekers die al in Duitsland verblijven en eigen onderdanen van Duitsland. Ook al betreft dit een verzameling van individuen, daarmee zijn deze omstandigheden nog niet voor eiser bijzonder. Daarnaast heeft de Afdeling in de uitspraak van 8 april 2020 geoordeeld dat de coronapandemie een tijdelijk en feitelijk overdrachtsbeletsel is dat de verantwoordelijkheid van de lidstaten niet raakt. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien om eisers asielaanvraag aan zich te trekken zoals bedoeld in artikel 17 van de Dublinverordening.

Keywords

AI generated
principle of non-refoulement migration risk situation in country of origin deportation despite health issues Dublin transfer to Croatia safe third country status

Cited Case Law

AI generated
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL21.5934 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam], eiser V-nummer: [Nummer] (gemachtigde: mr. drs. J.M. Walls), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 19 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank doet op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting. Overwegingen 1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geb. datum] 1993 en de Malinese nationaliteit te bezitten. Hij heeft op 11 februari 2021 in Nederland een asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.

3. Eiser voert aan dat hij, ondanks het niet verschijnen voor het Dublin-gehoor, bezwaar heeft tegen de overdracht aan Duitsland. Duitsland heeft eiser al eens geclaimd op Italië, dus een overdracht aan Duitsland houdt het risico op indirect refoulement in. Verweerder stelt ten onrechte dat de situatie in Duitsland als gevolg van de coronapandemie geen bijzondere omstandigheid is. Er is sprake van het beperken van de bewegingsvrijheid, een verplichting tot het dragen van mondkapjes, het volraken van de Intensive Care afdelingen en het beperken van mensenrechten.

Verweerder stelt ook ten onrechte dat de coronapandemie geen individuele omstandigheid is. Het raakt alle Dublinclaimanten die worden overgedragen aan Duitsland, maar dit betreft een verzameling van individuen die één voor één en elk afzonderlijk het risico op ernstige schade lopen. Verweerder heeft geen invloed op de situatie van asielzoekers die reeds in Duitsland verblijven of eigen onderdanen van Duitsland, dus daar kan verweerder geen argument aan ontlenen. Verweerder handelt in strijd met het EVRM, de wet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan.

5. Dat sprake is van een risico op indirect réfoulement bij overdracht aan Duitsland volgt de rechtbank niet. De garantie dat Duitsland de asielaanvraag van eiser zal behandelen omvat ook de verantwoordelijkheid dat een eventuele uitzetting niet in strijd is met het verbod van réfoulement. Eiser maakt niet aannemelijk dat er aanleiding bestaat om aan te nemen dat Duitsland deze verplichting niet zal nakomen.

6. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de omstandigheden die betrekking hebben op de coronapandemie niet bijzonder en individueel zijn. De coronapandemie raakt immers alle Dublinclaimanten die terug moeten naar Duitsland, maar ook asielzoekers die al in Duitsland verblijven en eigen onderdanen van Duitsland. Ook al betreft dit een verzameling van individuen, daarmee zijn deze omstandigheden nog niet voor eiser bijzonder. Daarnaast heeft de Afdeling in de uitspraak van 8 april 2020 geoordeeld dat de coronapandemie een tijdelijk en feitelijk overdrachtsbeletsel is dat de verantwoordelijkheid van de lidstaten niet raakt. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien om eisers asielaanvraag aan zich te trekken zoals bedoeld in artikel 17 van de Dublinverordening.

7. Verweerder heeft terecht gesteld dat eiser geen bezwaar kenbaar heeft gemaakt tegen de overdracht tijdens een gehoor, aangezien eiser tweemaal zonder opgaaf van redenen niet is verschenen voor het aanmeldgehoor Dublin.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Algemene wet bestuursrecht. Vreemdelingenwet 2000. Verordening (EU) 604/2013. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2020:1032.