Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2021:8341 ECLI:NL:RBDHA:2021:8341 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2021:8341 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2021:8341
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 20/7299 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2021 in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: A.T.M. Vroom-van Berckel). Procesverloop Bij besluit van 5 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht ingetrokken tot 21 mei 2017. Ook heeft verweerder bepaald dat eiser de Europese Unie onmiddellijk moet verlaten en is aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8 van het EVRM; ECLI:NL:RBDHA:2021:8341 · Rechtbank Den Haag: Verweerder heeft gemotiveerd op de beroepsgronden gereageerd. Wat is het oordeel van de rechtbank? 6. De rechtbank stelt voorop dat de (juiste) toepassing van de glijdende schaal niet in geschil is. In geschil is of eiser een geslaagd beroep kan doen op artikel 3.86, tiende lid, Vb. Artikel 22b, eerste lid, Sr 7. Bij de toepassing van de glijdende schaal heeft verweerder betrokken dat eiser onherroepelijk is veroordeeld wegens poging tot medeplegen zware mishandeling. Uit het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden blijkt dat eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertien maanden, waarvan twee voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaar, wegens het telkens medeplegen van poging tot zware mishandeling en het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Keywords

AI generated
risk of overstaying right to naturalisation visa for temporary stay applicability of immigration law detention under immigration law entry into a country

Cited Legislation

AI generated
artikel 8 van het EVRM

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHARL:2018:5578
Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-005090-17 Uitspraak d.d.: 26 april 2018 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 8 september 2017 met parketnummer 16-652656-17 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortedag] 1990, thans verblijvende in [detentie] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 april 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
ECLI:NL:GHAMS:2020:529
afdeling strafrecht parketnummer: 23-003189-17 datum uitspraak: 21 februari 2020 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 4 september 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-105482-17 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 februari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte en door het openbaar ministerie is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: primair: hij op of omstreeks 13 mei 2017 te IJmuiden, gemeente Velsen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een of meermalen - in/tegen het gezicht heeft geslagen/gestompt en/of - op/tegen het hoofd heeft geslagen/gestompt en/of - op/tegen het lichaam heeft getrapt/geschopt en/of - op/tegen het hoofd heeft getrapt/geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair: hij op of omstreeks 13 mei 2017 te IJmuiden, gemeente Velsen, althans in Nederland, [benadeelde] heeft mishandeld door hem een of meermalen - in/tegen het gezicht te slaan/stompen en/of - op/tegen het hoofd te slaan/stompen en/of - op/tegen het lichaam te trappen/schoppen en/of - op/tegen het hoofd te trappen/schoppen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 13 mei 2017 te IJmuiden, gemeente Velsen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen - in het gezicht heeft gestompt en - tegen het hoofd heeft gestompt en - tegen het lichaam heeft geschopt en - tegen het hoofd heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof acht de feiten wettig en overtuigend bewezen en grondt zijn overtuiging dat de verdachte het primair bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de navolgende bewijsmiddelen zijn vervat. Nu de verdachte de ten laste gelegde feiten ter terechtzitting in hoger beroep heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat het hof met de navolgende opsomming van de bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering Bewijsmiddelen De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 7 februari 2020. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2017097613-1 van 15 mei 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pagina’s 1-3). Een letselverklaring van 30 mei 2017, opgemaakt door [naam], huisarts, betreffende aangever [benadeelde], met bijlage brief Spoedeisende Hulp RKZ (doorgenummerde pagina’s 5-9). 4. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2017097613-8 van 7 juni 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 24-25). 5. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL100-2017097613-3 van 13 mei 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (doorgenummerde pagina’s 33-34). Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het primair bewezen verklaarde levert op: poging tot zware mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uren, bij niet verrichten te vervangen door 100 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van twee jaren. De politierechter heeft bovendien bijzondere voorwaarden opgelegd, inhoudende een meldplicht en een behandelplicht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor primair het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 114 dagen, waarvan 57 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het taakstrafverbod, zoals neergelegd in artikel 22b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, van toepassing is. Zij heeft daartoe aangevoerd dat sprake is van een ernstige schending van de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het hof overweegt als volgt. De beperking oplegging taakstraf van artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht is van kracht voor een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 6 jaren of meer is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad. In de Memorie van Toelichting staat op dat punt – voor zover in deze relevant en zakelijk weergegeven – het navolgende vermeld. Bij lichamelijk letsel is altijd sprake van een inbreuk op de lichamelijke integriteit. In de gevallen waarin het misdrijf beperkt lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, is geen sprake van een zodanig ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit dat daarom het opleggen van een taakstraf is uitgesloten. Uitgangspunt is dan ook dat aan de feitenrechter grote beoordelingsvrijheid toekomt in hoeverre er sprake is van een dergelijk ernstige inbreuk. Het hof stelt vast dat ondanks de zeer heftige wijze waarop de verdachte het slachtoffer tegen het hoofd en het lichaam heeft gestompt en geschopt, het letsel ten gevolge daarvan (gelukkig) beperkt is gebleven. Uit de letselverklaring blijkt dat er sprake was van een (lichte) hersenschudding en oppervlakkige snijverwondingen aan beide oren. Het hof oordeelt dat gelet op deze omstandigheid de beperking tot oplegging van een taakstraf (ook wel geduid als het taakstrafverbod) in deze zaak niet van toepassing is. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. De verdachte drong bij een pinautomaat voor. Het slachtoffer heeft de verdachte op dit gedrag aangesproken. De verdachte is onmiddellijk overgegaan tot agressief gedrag en heeft het slachtoffer met kracht tegen het hoofd en in het gezicht geschopt en gestompt. In een schriftelijke verklaring heeft het slachtoffer verwoord dat hij nog steeds kampt met psychische klachten; hij leeft als een kluizenaar en zit nu in de bijstand. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Ook maakt agressief gedrag zoals vertoond door de verdachte in de regel grote indruk op omstanders die hierbij aanwezig zijn. Dergelijke feiten veroorzaken gevoelens van onveiligheid niet alleen bij het slachtoffer maar ook bij degenen die hiervan getuige zijn geweest. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 28 januari 2020 is hij eerder voor een soortgelijk feit onherroepelijk veroordeeld. Uit de opgemaakte reclasseringsadviezen van Fivoor van 7 maart 2019 en 31 januari 2020 blijkt dat de verdachte is gediagnosticeerd met ADHD, depressie, problemen met impulsregulatie en drugsgerelateerde psychoses. Sinds de psychose(s) heeft de verdachte last van paniekaanvallen. Hij kreeg antidepressiva voorgeschreven. Ten tijde van het ten laste gelegde feit (13 mei 2017) gebruikte de verdachte antidepressiva in combinatie met alcohol. Ter terechtzitting in hoger beroep hebben de verdachte en de raadsman inzicht gegeven in de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte is sinds januari 2019 vrijwillig opgenomen binnen de Parnassia gesloten kliniek dubbele diagnose te Castricum. Uit een tweetal brieven van deze kliniek (respectievelijk 24 mei en 31 oktober 2019) blijkt dat de verdachte in een langdurig, intensief klinisch behandeltraject zit. Er is een succesvolle psychologische behandeling gestart. Het herstel lijkt debet aan de veilige omgeving en ingezette 24-uurs zorg/behandeling. Het vervolg van de behandeling richt zich op het vinden van een passende vervolgbehandeling, met gespecialiseerde psychiatrische behandeling en begeleiding. Er is een beschermd wonen indicatie. Dit is nodig om de verdachte gefaseerd en veilig over te kunnen plaatsen. De verdachte maakt in de behandeling een zeer gemotiveerde en coöperatieve indruk. Op zitting heeft de verdachte deze indruk bevestigd. Gelet op het voorgaande acht het hof het niet passend en geboden de verdachte een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf op te leggen. Het hof slaat daarbij in het bijzonder acht op de psychische problematiek van de verdachte zoals die blijkt uit de reclasseringsadviezen en het feit dat een beschermde woonvorm geïndiceerd is als inbedding om te voorkomen dat de verdachte een terugval in middelen krijgt. Teneinde de positieve wending die de verdachte zijn leven heeft gegeven niet te doorkruisen en incidenten als de onderhavige in de toekomst te voorkomen, acht het hof alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.620,54, bestaande uit € 470,54 aan materiële schade en € 1.150,- aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.220,54. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Voor wat betreft de gestelde materiële schade overweegt het hof het volgende. Het slachtoffer heeft vergoeding van de reparatiekosten van zijn jas gevorderd. Het hof oordeelt dat het gevorderde bedrag niet onredelijk is, nu het hof het aannemelijk acht dat het slachtoffer rechtstreekse schade heeft geleden als gevolg van het primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte. De verdachte is, naast de vergoeding van de verzekeringskosten, tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het slachtoffer heeft ook vergoeding van een zonnebril gevorderd die is kwijtgeraakt. Het hof oordeelt dat dit deel van de vordering onvoldoende onderbouwd is zodat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet kan worden ontvangen. Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat er ook immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het primair bewezenverklaarde. De vordering leent zich, naar maatstaven van billijkheid, voor toewijzing tot een bedrag van € 750,00. Voor het overige is het hof van oordeel dat de benadeelde partij in de vordering voor zover dit het immateriële deel betreft, niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 45, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.170,54 (duizend honderdzeventig euro en vierenvijftig cent) bestaande uit € 420,54 (vierhonderdtwintig euro en vierenvijftig cent) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.170,54 (duizend honderdzeventig euro en vierenvijftig cent) bestaande uit € 420,54 (vierhonderdtwintig euro en vierenvijftig cent) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden toegepast op 23 (drieëntwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 13 mei 2017. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, mr. A.M.P. Geelhoed en mr. M.J. Dubelaar, in tegenwoordigheid van mr. R.L. Vermeulen en mr. T.M.A.D. de Lanoy, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 februari 2020. Mr. M.J. Dubelaar is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= […]
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 20/7299 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2021 in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: A.T.M. Vroom-van Berckel). Procesverloop Bij besluit van 5 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht ingetrokken tot 21 mei 2017. Ook heeft verweerder bepaald dat eiser de Europese Unie onmiddellijk moet verlaten en is aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Bij besluit van 2 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2021. Eiser was aanwezig per videoverbinding vanuit de Penitentiaire Inrichting Ter Apel en is ter zitting bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Waar gaat deze zaak over? 1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1990 en heeft de Somalische nationaliteit.

Eiser heeft sinds 12 juli 2004 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Het verblijfsdoel is voortgezet verblijf.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft de aan eiser verleende vergunning met terugwerkende kracht ingetrokken tot 21 mei 2017, omdat eiser onherroepelijk is veroordeeld voor een op die dag gepleegd geweldsmisdrijf, welk misdrijf de toepassing van artikel 3.86 (de glijdende schaal) van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb) mogelijk maakt. Volgens verweerder is weliswaar sprake van rechtmatig verblijf langer dan 10 jaar, maar kan eiser geen rechten ontlenen aan artikel 3.86, tiende lid, Vb, omdat sprake is van een misdrijf als bedoeld in artikel 22b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna:

Sr). Uit het arrest van 26 april 2018 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden komt immers naar voren dat eiser zich op 21 mei 2017 schuldig heeft gemaakt aan twee pogingen tot het medeplegen van zware mishandeling. Hierbij is volgens verweerder een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Wat zijn de regels? 3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak. Wat vinden eiser en verweerder in beroep? 4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat er sprake is van een misdrijf als bedoeld in artikel 22b, eerste lid, Sr, omdat niet aan het materiële criterium is voldaan.

Volgens eiser is er geen sprake geweest van een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit, als nader omschreven in de Memorie van Toelichting (Kamerstuk 32 169). Eiser is immers vrijgesproken van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar een uitspraak van 21 februari 2020 van het Gerechtshof Amsterdam. De strafrechter in deze zaak oordeelde dat ondanks de heftige wijze van mishandeling, het letsel beperkt was gebleven waardoor artikel 22b, eerste lid, Sr, niet van toepassing was. Eiser voert daarnaast aan dat de intrekking van zijn verblijfsvergunning in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot Bescherming van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna:

EVRM), gezien eisers sterke banden met Nederland door zijn langdurig rechtmatig verblijf, integratie en woonachtige kinderen en familieleden in Nederland. Tegelijkertijd geeft eiser aan dat zijn banden met Somalië minimaal zijn en dat de oma van eiser in Somalië inmiddels op leeftijd is. Om deze reden is er volgens eiser geen sprake van ‘fair balance’. Tot slot heeft verweerder volgens eiser onterecht een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

5. Verweerder heeft gemotiveerd op de beroepsgronden gereageerd. Wat is het oordeel van de rechtbank? 6. De rechtbank stelt voorop dat de (juiste) toepassing van de glijdende schaal niet in geschil is. In geschil is of eiser een geslaagd beroep kan doen op artikel 3.86, tiende lid, Vb. Artikel 22b, eerste lid, Sr 7. Bij de toepassing van de glijdende schaal heeft verweerder betrokken dat eiser onherroepelijk is veroordeeld wegens poging tot medeplegen zware mishandeling. Uit het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden blijkt dat eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertien maanden, waarvan twee voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaar, wegens het telkens medeplegen van poging tot zware mishandeling en het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Eiser heeft bij een uitgaansgelegenheid, tezamen en in vereniging met een ander, met gebalde vuist en met geschoeide voet tegen het hoofd en lichaam van twee beveiligingsmedewerkers geslagen en geschopt, terwijl deze op de grond lagen. Onder meer uit de aard en de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van eiser en zijn mededader(s) leidt het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden af dat er een aanmerkelijke kans bestond op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij deze twee slachtoffers. Daarnaast heeft eiser ook nog een derde beveiligingsmedewerker in het gezicht geslagen.

Gezien deze bewezenverklaarde feiten volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat geen sprake zou zijn van een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit als bedoeld in artikel 22b, eerste lid, Sr. Het feitencomplex spreekt voor zich. Het is evident dat het schoppen en slaan van iemand die op de grond ligt, en waarbij is vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bestond, een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers tot gevolg heeft. Dat de bewezenverklaarde feiten geen zwaar lichamelijk letsel tot gevolg hebben gehad doet aan deze conclusie niet af.

De verwijzing naar het arrest van het Gerechtshof Amsterdam wordt dan ook niet gevolgd. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 22b, eerste lid, Sr, waardoor eiser geen rechten kan ontlenen aan artikel 3.86, tiende lid, Vb. 8 EVRM 8. In het kader van artikel 8 van het EVRM dient verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in haar belangenafweging te betrekken en dient een ‘fair balance’ te worden gemaakt tussen enerzijds het belang van eiser bij de uitoefening van zijn privé-, familie- en gezinsleven, gezien zijn langdurige verblijf in Nederland, en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse staat bij de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten. 8.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder kenbaar alle relevante belangen betrokken en vervolgens niet ten onrechte geconcludeerd dat de belangenafweging in het nadeel van eiser dient uit te vallen. Verweerder heeft in zijn belangenafweging onder meer betrokken dat eiser sterke banden heeft met Nederland nu eiser op jonge leeftijd uit Somalië is vertrokken, eiser inmiddels al meer dan 15 jaar in Nederland woont en in Nederland voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs heeft gevolgd. Daar heeft verweerder in redelijkheid tegenover kunnen stellen dat eiser meerdere (ernstige) misdrijven heeft gepleegd, onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een geweldsmisdrijf en dat het belang van de bescherming van de openbare orde in dit geval zwaarder weegt.

Daarnaast heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld eiser niet heeft aangetoond dat sprake is van beschermingswaardig familie- en gezinsleven. Eiser stelt kinderen en familie in Nederland te hebben, maar heeft deze stelling niet onderbouwd met objectieve stukken. Verweerder heeft in zijn belangenafweging ook kunnen betrekken dat niet is gebleken dat eiser in Somalië niet bij zijn oma terecht zou kunnen. Conclusie 9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Biermann, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2021. is verhinderd te tekenen griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent.

Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. BIJLAGE Vreemdelingenbesluit 2000 Artikel 3.86 5. De in het vierde lid bedoelde norm bedraagt bij een verblijfsduur van: minder dan 3 jaar: 1 dag; ten minste 3 jaar, maar minder dan 4 jaar: 4 maanden; ten minste 4 jaar, maar minder dan 5 jaar: 5 maanden; ten minste 5 jaar, maar minder dan 6 jaar: 6 maanden; ten minste 6 jaar, maar minder dan 7 jaar: 7 maanden; ten minste 7 jaar, maar minder dan 8 jaar: 8 maanden; ten minste 8 jaar, maar minder dan 9 jaar: 9 maanden; ten minste 9 jaar, maar minder dan 10 jaar: 10 maanden; ten minste 10 jaar, maar minder dan 15 jaar: 12 maanden; ten minste 15 jaar: 14 maanden.

10. In afwijking van de voorgaande leden wordt de aanvraag niet afgewezen bij een verblijfsduur van tien jaren, tenzij er sprake is van: a. een misdrijf als bedoeld in artikel 22b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht; b. een misdrijf uit de Opiumwet waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld. Wetboek van strafrecht Artikel 22b 1. Een taakstraf wordt niet opgelegd in geval van veroordeling voor: a. een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad; b. een van de misdrijven omschreven in de artikelen 181, 240b, 248a, 248b, 248c en 250. ECLI:NL:GHARL:2018:5578. ECLI:NL:GHAMS:2020:529.