Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2021:7600 ECLI:NL:RBDHA:2021:7600 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2021:7600 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2021:7600
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: AWB 20/4974 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2021 in de zaak tussen [naam eiseres] , eiseres, V-nummer: [V-nummer] gemachtigde: mr. P.H. van Akenborgh, en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, gemachtigde mr. A. Houben. Procesverloop Bij besluit van 17 april 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2021:7600 · Rechtbank Den Haag: Dat personen minimaal zes maanden moeten hebben samengewoond en een gezamenlijke huishouding moeten hebben gevoerd, volgt evenmin uit artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn 2004/38/EG (Verblijfsrichtlijn). Het is voor eiseres feitelijk onmogelijk om middels de verlangde bewijsstukken aan te tonen dat zij en referent minimaal zes maanden samenwonen en een gezamenlijke huishouding voeren. De documenten waar verweerder om verzoekt, zoals gezamenlijke bankafschriften en een huur-of koopovereenkomst van gezamenlijke woonruimte, kunnen immers pas worden verkregen nadat een verblijfsdocument is afgegeven.

Keywords

AI generated
unlawful stay expired residence permit permanent residence permit missing case documents proof of statelessness intention of permanent residence

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2019:1163
201800450/1/V1. Datum uitspraak: 11 april 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 19 december 2017 in zaak nr. 17/2965 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 18 april 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2011:BQ7921
Procesverloop Blijkens schrijven van 10 april 2008 heeft de burgemeester besloten de Oranjevereniging Leiderdorp (hierna: de Oranjevereniging) vergunning te verlenen voor het houden van de kermis van zaterdag 26 tot en met woensdag 30 april 2008 op de noordelijke rijbaan van het Engelendaal, tussen de Laan van Berendrecht en de Gallaslaan te Leiderdorp. In datzelfde schrijven is vervat een besluit van het college, waarbij de Oranjevereniging, voor zover thans van belang, ontheffing is verleend van het verbod in de openlucht een geluidsapparaat in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
ECLI:NL:RVS:2018:1563
Er is op grond van medische en/of sociale omstandigheden sprake van een levensontwrichtende woonsituatie die alleen opgelost kan worden met (andere) zelfstandige huisvesting; van levensontwrichting is sprake wanneer de aanvrager (of een van de leden van het huishouden), in samenhang met ernstige woonproblemen, niet meer in staat is zelfstandig te functioneren. Een zelfstandige woning is in dat geval (een substantieel deel van) de oplossing. […] 3.3.2.2. Ernstige medische redenen Onder medische redenen waarom iemand dringend woonruimte nodig heeft wordt een woonsituatie verstaan die om medische redenen levensontwrichtend is voor één of meer leden van het huishouden.
ECLI:NL:RVS:2011:BS1678
Procesverloop Bij besluit van 30 september 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen. Bij besluit van 13 november 2009 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht. Bij mondelinge uitspraak van 18 augustus 2010, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 24 augustus 2010, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
ECLI:NL:RVS:2017:2501
201609005/1/V3. Datum uitspraak: 15 september 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 3 november 2016 in zaak nr. 16/17483 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 1 februari 2016 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat de vreemdeling geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: AWB 20/4974 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2021 in de zaak tussen [naam eiseres] , eiseres, V-nummer: [V-nummer] gemachtigde: mr. P.H. van Akenborgh, en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, gemachtigde mr. A. Houben. Procesverloop Bij besluit van 17 april 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Bij besluit van 8 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2021 te Dordrecht. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig [naam tolk] , tolk. Overwegingen 1. Eiseres heeft de Braziliaanse nationaliteit en heeft op 18 oktober 2019 een aanvraag ingediend tot afgifte van voornoemd verblijfsdocument op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vw.

Eiseres beoogt verblijf bij [naam referent] (referent), die de Portugese nationaliteit bezit en in Nederland woont.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen omdat niet is gebleken dat er sprake is van een duurzame relatie tussen haar en referent. Eiseres is er niet in geslaagd aan te tonen dat zij en referent langer dan zes maanden een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd. Uit de Basisregistratie Personen (BRP) is gebleken dat eiseres en referent niet op hetzelfde adres staan ingeschreven. Hoewel zij in hun relatieverklaring hebben verklaard sinds april 2016 levenspartners te zijn en een gemeenschappelijke huishouding te voeren, hebben zij dit met geen enkel officieel verifieerbaar bewijsstuk onderbouwd. Eiseres heeft met de door haar overgelegde foto’s evenmin aangetoond dat zij een duurzame relatie heeft met referent.

3. In zijn verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres geen procesbelang meer heeft bij het beroep omdat is gebleken dat referent op 24 april 2021 is getrouwd met iemand anders dan eiseres. Daarom kan eiseres in beroep niet meer bereiken wat zij aanvankelijk wilde bereiken, te weten afgifte van voornoemd verblijfsdocument. In dat kader heeft verweerder ter zitting verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1163). 3.1. De rechtbank overweegt dat zij procesbelang in beroep aanneemt reeds omdat eiseres heeft verzocht om een proceskostenvergoeding in bezwaar.

De uitspraak waarnaar verweerder ter zitting heeft verwezen, heeft betrekking op een proceskostenveroordeling in (hoger) beroep. Gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraken van 15 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ7921, en 9 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1563) heeft eiseres bij een verzoek om een proceskostenveroordeling in bezwaar een belang bij de inhoudelijke beoordeling van haar beroep. Het beroep is daarom ontvankelijk.

4. Eiseres kan zich niet verenigingen met het bestreden besluit. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onzorgvuldig is voorbereid. Daartoe voert zij allereerst aan dat verweerder het begrip ‘duurzame relatie’ te restrictief uitlegt door vast te houden aan de eis dat aantoonbaar minimaal zes maanden een gezamenlijke huishouding moet zijn gevoerd. Daarmee miskent verweerder situaties waarbij sprake kan zijn van een duurzame relatie zoals het geval is bij een langeafstandsrelatie. Het begrip ‘duurzame relatie’ wordt in het Unierecht niet nader omschreven.

Dat personen minimaal zes maanden moeten hebben samengewoond en een gezamenlijke huishouding moeten hebben gevoerd, volgt evenmin uit artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn 2004/38/EG (Verblijfsrichtlijn). Het is voor eiseres feitelijk onmogelijk om middels de verlangde bewijsstukken aan te tonen dat zij en referent minimaal zes maanden samenwonen en een gezamenlijke huishouding voeren. De documenten waar verweerder om verzoekt, zoals gezamenlijke bankafschriften en een huur-of koopovereenkomst van gezamenlijke woonruimte, kunnen immers pas worden verkregen nadat een verblijfsdocument is afgegeven.

Ook kon eiseres zich niet inschrijven in de BRP vóór de indiening van onderhavige aanvraag. Daarvoor had zij immers nog geen rechtmatig verblijf. Zij heeft zich evenmin kunnen laten inschrijven op het relatieadres aangezien de verhuurder dit niet toestaat. Eiseres heeft middels de door haar overgelegde stukken, waaronder foto’s, en gelet op het feit dat zij en referent bij het IND-loket afzonderlijk zijn gehoord over hun relatie, de duurzame relatie wel aangetoond. Verweerder heeft daarom ten onrechte niet aangenomen dat sprake is van een deugdelijk bewezen relatie als bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.

5. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. 5.1. De rechtbank stelt vast dat eiseres een achttal foto’s en een kaartje van de kerkgemeenschap ‘Ministerie Cristian Center Sanctuary of God’, waar eiseres en referent elkaar naar gesteld hebben ontmoet, heeft overgelegd. Daarnaast wijst ze op verklaringen die zij en referent over hun relatie zouden hebben afgelegd bij een loketbezoek. De rechtbank merkt op dat verweerder, naar aanleiding van hetgeen door eiseres in bezwaar is gesteld met betrekking tot de overgelegde foto’s en het loketbezoek, in het bestreden besluit verwijst naar zijn motivering hieromtrent in het primaire besluit.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het primaire besluit niet is ingegaan op voornoemde foto’s en de gestelde verklaringen tijdens een loketbezoek, noch is verweerder ingegaan op het overgelegde kaartje van de kerk. Daarmee is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank ziet daarin aanleiding het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. De rechtbank zal vervolgens bezien of aanleiding bestaat om op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. 6.1. Uit paragraaf B10/2.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 volgt dat eiseres aannemelijk moet maken dat zij en referent een bestaande duurzame relatie hebben, in die zin dat zij voorafgaand aan het moment van de aanvraag voor toetsing aan het EU-recht of het moment van beslissen gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding voerden en gedurende die termijn feitelijk samenwoonden of gezamenlijk een kind hebben. De rechtbank stelt vast dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de Verblijfsrichtlijn niet in de weg staat aan dit beleid van verweerder.

De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraken van de Afdeling van 6 september 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BS1678) en 15 september 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2501). 6.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, met inachtneming van hetgeen in het verweerschrift naar voren is gebracht, op goede gronden op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van een duurzame relatie tussen eiseres en referent. De rechtbank stelt daarbij voorop dat het aan eiseres is om dit aannemelijk te maken. Eiseres is er allereerst niet in geslaagd om aan te tonen dat zij voor het moment van onderhavige aanvraag gedurende een periode van zes maanden een gezamenlijk huishouden voerden en feitelijk samenwoonden, zoals zij heeft gesteld.

Uit de BRP blijkt dit niet en ook anderszins heeft eiseres dit niet aangetoond. Dat eiseres zich niet kon inschrijven in de BRP dan wel het relatieadres, zoals zij heeft aangevoerd, doet er niet aan af dat verweerder niet uitsluitend een bewijs van inschrijving in de BRP als bewijs accepteert van een gezamenlijke huishouding. Verweerder heeft eiseres bij brieven van 3 december 2019 en 3 februari 2020 juist uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld om de gestelde duurzame relatie, en het voeren van een gezamenlijke huishouding, ook op andere wijze aan te tonen.

De door eiseres overgelegde stukken, bestaande uit een achttal foto’s en een kaartje van de kerkgemeenschap ‘Ministerie Cristian Center Sanctuary of God’ waar eiseres en referent elkaar naar gesteld hebben ontmoet, zijn in dat kader onvoldoende. Het kaartje van de kerk en de overgelegde foto’s, die zien op momentopnamen, zeggen immers niets over de duurzaamheid van de gestelde relatie, zoals verweerder in het verweerschrift terecht heeft opgemerkt. De in beroep overgelegde schermafdrukken van de website Woonnet Rijnmond, waaruit volgt dat referent sinds 8 juli 2020 staat ingeschreven als woningzoekende, maakt dit niet anders.

Nog los van de omstandigheid dat deze inschrijving dateert van na de totstandkoming van het bestreden besluit, blijkt hieruit dat referent op zoek is naar een woning voor een eenpersoonshuishouden. Hiermee is de stelling van eiseres, dat wél sprake is van een duurzame relatie, dus niet nader onderbouwd. Zoals verweerder tot slot nog ter zitting heeft opgemerkt, is hem niet gebleken dat eiseres en referent door verweerder zijn gehoord. Er is dus geen sprake van (gehoor)verslagen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat sprake is van een duurzame relatie.

Dat eiseres met referent informeel vragen aan een balie heeft beantwoord, zoals zij ter zitting heeft toegelicht, maakt dit niet anders. 6.3. Het voorgaande biedt daarom onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van een duurzame relatie.

7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot de slotsom dat het beroep gegrond is, het bestreden besluit dient te worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen daarvan in stand zullen worden gelaten, omdat verweerder het geconstateerde motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven; bepaalt dat verweerder aan eiseres het griffierecht van € 178,- vergoedt; veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 1.496,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 8 juli 2021. De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.