Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2021:7442 ECLI:NL:RBDHA:2021:7442 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2021:7442 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2021:7442
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL21.2416 V uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van [Opposant] , opposant, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. E. Sahin). Procesverloop Opposant heeft tegen de beslissing op bezwaar van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 16 februari 2021 (het bestreden besluit) beroep ingesteld. Bij uitspraak van 7 mei 2021 heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. De rechtbank heeft het verzet op 1 juli 2021 op zitting behandeld. Opposant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.A. Fawzy. Overwegingen 1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat.

Legislator headnote

AI generated

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBDHA:2021:7442 · Rechtbank Den Haag: Opposant voert aan dat de rechtbank in de buiten-zittinguitspraak onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn bijzondere, individuele omstandigheden. Hij verwijst naar het arrest Halaf van het HvJEU. Opposant verkeert in angst en onzekerheid om terug te worden gestuurd naar Italië. Bij zijn aankomst in Italië is hij gearresteerd en heeft hij twee en een halve maand in quarantaine gezeten. De opvangomstandigheden in Italië zijn slecht. Ook is er onvoldoende toegang tot medische zorg, terwijl opposant dit wel nodig vindt.

Keywords

AI generated
compensation for unlawful detention safe country rights of detainees security detention ground for detention removal

Cited Legislation

AI generated
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2020:986
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, 2.
ECLI:NL:RVS:2020:987
201907435/1/V1. Datum uitspraak: 8 april 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling] mede voor haar minderjarige kind, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 oktober 2019 in zaak nr. NL19.21436 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 10 september 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2020:2449
202005105/1/V1. Datum uitspraak: 15 oktober 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 15 september 2020 in zaak nr. NL20.12454 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 12 juni 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2021:464
202005564/1/V1. Datum uitspraak: 25 februari 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 12 oktober 2020 in zaak nr. NL19.17424 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 25 juli 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2014:3164
201404599/1/V4. Datum uitspraak: 14 augustus 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 27 mei 2014 in zaken nrs. 14/11240, 14/11242, 14/11241 en 14/11243 in het geding tussen: [de vreemdelingen] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij onderscheiden besluiten van 8 mei 2014 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL21.2416 V uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van [Opposant] , opposant, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. E. Sahin). Procesverloop Opposant heeft tegen de beslissing op bezwaar van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 16 februari 2021 (het bestreden besluit) beroep ingesteld. Bij uitspraak van 7 mei 2021 heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. De rechtbank heeft het verzet op 1 juli 2021 op zitting behandeld. Opposant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.A. Fawzy. Overwegingen 1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat.

2. De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de staatssecretaris terecht heeft geoordeeld dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van opposant, dat de staatssecretaris terecht is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Italië en dat de door opposant aangevoerde omstandigheden geen aanleiding hebben hoeven geven voor de staatssecretaris om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

3. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of zij in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.

4. Opposant voert aan dat de rechtbank in de buiten-zittinguitspraak onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn bijzondere, individuele omstandigheden. Hij verwijst naar het arrest Halaf van het HvJEU. Opposant verkeert in angst en onzekerheid om terug te worden gestuurd naar Italië. Bij zijn aankomst in Italië is hij gearresteerd en heeft hij twee en een halve maand in quarantaine gezeten. De opvangomstandigheden in Italië zijn slecht. Ook is er onvoldoende toegang tot medische zorg, terwijl opposant dit wel nodig vindt.

5. In wat opposant heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 7 mei 2021.

6. De rechtbank heeft in de buiten-zittinguitspraak terecht geoordeeld dat verweerder in Dublinzaken van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dat betekent dat verweerder er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. De Afdeling heeft geoordeeld dat verweerder ook ten aanzien van Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De in verzet overgelegde informatie leidt niet tot een ander oordeel.

7. Verder is de rechtbank in de uitspraak expliciet ingegaan op het betoog van opposant dat zijn bijzondere, individuele omstandigheden maken dat zijn asielaanvraag inhoudelijk behandeld moet worden. De rechtbank heeft geoordeeld dat de door opposant aangevoerde omstandigheden geen bijzondere, individuele omstandigheden in de zin van artikel 17 van de Dublinverordening zijn. Daarbij heeft de rechtbank verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2014. Uit die uitspraak volgt dat omstandigheden die van betekenis zijn voor de beoordeling of er concrete aanwijzingen zijn dat de verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt – en dus zien op de vraag of uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel – niet betrokken hoeven te worden bij de vraag of er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden. Opvang en medische zorg zijn zulke omstandigheden. De rechtbank ziet geen aanleiding om anders te oordelen dan de Afdeling of deze rechtbank in beroep.

8. Gelet op het voorgaande kan het betoog van opposant dat de rechtbank in de uitspraak van 7 mei 2021 onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn bijzondere, individuele omstandigheden niet slagen.

9. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.J. Valk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Het arrest Halaf van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 mei 2013, ECLI:EU:C:2013:342. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van onder meer 8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:986 en ECLI:NL:RVS:2020:987), 15 oktober 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2449) en 25 februari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:464). De uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164.