Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:9431 ECLI:NL:RBDHA:2020:9431 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:9431 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:9431
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: NL19.29688 en NL19.29689 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , met V-nummer: [V-nummer] , eiseres [eiser] , met V-nummer: [V-nummer] , eiser hierna gezamenlijk: eisers. (gemachtigde: mr. A.J. van der Werff-Dost), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: J. de Volder). Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de algemene wet bestuursrecht, Artikel 4:17 van de Awb; ECLI:NL:RBDHA:2020:9431 · Rechtbank Den Haag: Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. De rechtbank geeft daarvoor normaal een termijn van twee weken. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een langere termijn geeft (artikel 8:55d, lid 3, Awb).

Keywords

AI generated
delayed asylum application family asylum delayed family reunification untimely request for extension lack of urgency unjustified procedural delay

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de algemene wet bestuursrecht
Overwegingen De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van de algemene wet bestuursrecht (Awb)).
Artikel 4:17 van de Awb
Artikel 4:17 van de Awb bepaalt dat in het geval dat aanvragen gelijktijdig zijn ingediend, daar afzonderlijk op moet worden beslist en dat als niet tijdig is beslist op de afzonderlijke aanvragen, het bestuursorgaan in beginsel ook afzonderlijke dwangsommen verschuldigd is.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2014:1870
201305144/1/A3. Datum uitspraak: 28 mei 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 26 april 2013 in de zaken nrs. 13/8, 13/866, 13/1532, 13/1556 en 13/1732 in het geding tussen: [appellant] en de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW). Procesverloop Bij e-mailbericht van 14 juli 2012 heeft [appellant] de RDW verzocht om openbaarmaking van de gegevens, opgeslagen in het Europees voertuig- en rijbewijsinformatiesysteem (hierna:
ECLI:NL:HR:2015:1352
29 mei 2015 nr. 14/05515 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 oktober 2014, nr. AWB 14/1568 en 14/1569, betreffende de beschikking tot vaststelling van een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 Awb alsmede de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:CRVB:2018:3079
173707 PW Datum uitspraak: 9 oktober 2018 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 29 maart 2017, 16/3755 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard (college), als rechtsopvolger van het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Samenwerking A2-gemeenten PROCESVERLOOP In dit geding treedt het college in de plaats van het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Samenwerking A2-gemeenten (dagelijks bestuur).
ECLI:NL:RBDHA:2019:3262
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL19.3261 uitspraak van de meervoudige kamer van 2 april 2019 in de zaak tussen [eiser] , geboren op [datum] 1994, v-nummer [nummer] , van Jemenitische nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. A. Khalaf), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Op 13 februari 2019 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen op zijn op 10 juli 2018 ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
ECLI:NL:RBGEL:2019:5181
3 Vergelijk ECLI:NL:RBGEL:2019:5181 4 Rb.
ECLI:NL:RBDHA:2019:11476
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL19.20294 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , v-nummer [nummer] , eiser (gemachtigde: mr.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: NL19.29688 en NL19.29689 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , met V-nummer: [V-nummer] , eiseres [eiser] , met V-nummer: [V-nummer] , eiser hierna gezamenlijk: eisers. (gemachtigde: mr. A.J. van der Werff-Dost), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: J. de Volder). Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Overwegingen De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van de algemene wet bestuursrecht (Awb)). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op hun aanvraag.

Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Awb. Partijen zijn het met elkaar eens dat verweerder te laat is met het beslissen op de aanvragen van eisers. In zijn verweerschrift van 19 december 2019 geeft verweerder dit ook aan. De rechtbank stelt vast dat eisers verweerder op 4 november 2019 in gebreke hebben gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken. De beroepen zijn kennelijk gegrond.

5. Artikel 4:17 van de Awb bepaalt dat in het geval dat aanvragen gelijktijdig zijn ingediend, daar afzonderlijk op moet worden beslist en dat als niet tijdig is beslist op de afzonderlijke aanvragen, het bestuursorgaan in beginsel ook afzonderlijke dwangsommen verschuldigd is. De rechtbank overweegt dat een redelijke uitleg van artikel 4:17 van de Awb meebrengt dat van dit beginsel kan worden afgeweken als de aanvragen gelijktijdig zijn gedaan en zodanig met elkaar samenhangen dat in feite van één te beoordelen aanvraag moet worden gesproken.

De rechtbank verwijst daartoe naar uitspraken van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State (ABRvS), de Hoge Raad (HR) en de Centrale Raad van Beroep (CRvB)1. In het geval van eisers gaat de rechtbank ervan uit dat er sprake is van een samenhang tussen hun asielaanvragen. Eisers zijn echtgenoten en hebben gelijktijdig een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingediend. Er is door eisers ook niet aannemelijk gemaakt dat geen sprake zou zijn van samenhang. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van samenhang en dat in feite sprake is van één te beoordelen aanvraag, zodat slechts één dwangsom wordt verbeurd.

6. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. De rechtbank geeft daarvoor normaal een termijn van twee weken. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een langere termijn geeft (artikel 8:55d, lid 3, Awb).

7. In zijn verweerschrift zegt verweerder dat er achterstanden zijn in de behandeling van de asielaanvragen. Dit komt doordat er meer zaken zijn en de samenstelling van de zaken anders is dan verwacht. Verweerder geeft aan dat de doorlooptijden van de asielaanvragen nog steeds stijgt en noemt in zijn verweerschrift de maatregelen die hij neemt om de doorlooptijden te verminderen. Verweerder is namelijk extra personeel aan het werven. In het specifieke geval van eiseres wijst verweerder erop dat hij geen concrete termijn kan geven, waarbinnen hij op de aanvragen van eiseres kan beslissen.

Verweerder geeft daarbij aan dat hij geen voorrang kan verlenen aan zaken waarin beroep is ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag. Dit laatste zou volgens verweerder ten koste gaan van aanvragen die eerder zijn ingediend dan die van eiser. Verweerder verzoekt de rechtbank om te bepalen dat het eerste gehoor van eiseres binnen acht weken na verzending van de uitspraak plaatsvindt. Verweerder verwijst daarbij naar een uitspraak van 2 april 2019 van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem2.

8. Uit de beschikbare stukken blijkt dat eisers in deze zaak nog niet de kans hebben gehad om hun asielaanvragen te onderbouwen. Het is daarom nog niet duidelijk of de aanvragen van eisers in de Algemene Asielprocedure (AA-procedure) of de Verlengde Asielprocedure (VA-procedure) zullen worden behandeld.

9. De rechtbank ziet onder de gegeven omstandigheden aanleiding om aan verweerder een langere beslistermijn dan twee weken op te leggen. Om zowel recht te doen aan het belang van eisers bij een duidelijke beslistermijn, als het belang van verweerder om tot een zorgvuldige besluitvorming te kunnen komen, zal de rechtbank een uiterlijke beslistermijn opleggen van acht weken.

1. ABRvS 28 mei 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1870), HR 29 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1352) en CRvB 9 oktober 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3079). 2 ECLI:NL:RBDHA:2019:3262.

10. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. In afwijking van het landelijk beleid van een maximum van € 15.000 wordt het maximum bepaald op € 7.500.3 De rechtbank verlaagt dit maximum om de termijn dat een dwangsom wordt verbeurd te verkorten. Als de dwangsom nog niet volledig is verbeurd, is het voor een vreemdeling immers lastig een nieuw beroep niet tijdig zonder nieuwe feiten en omstandigheden, gehonoreerd te zien.4 Dat betekent dat de vreemdeling, als aan de termijnen niet wordt voldaan en bij een maximum van € 15.000, nog 150 dagen moet wachten voordat alle dwangsommen zijn verbeurd.

Deze termijn acht de rechtbank te lang en daarom verkort de rechtbank deze termijn tot 75 dagen. Hiermee komt de rechtbank tegemoet aan het belang van eiser om, wanneer verweerder aan de uitspraak geen gevolg geeft, de zaak zonder nieuwe feiten en omstandigheden opnieuw aan de rechter voor te kunnen leggen. Deze dwangsom geldt voor eisers gezamenlijk. De staatssecretaris moet wel afzonderlijk op de aanvragen beslissen, maar de beslissingen die moeten worden genomen hangen nauw met elkaar samen[1].

11. Dat betekent ook dat eisers een vergoeding krijgen voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eisers een professionele (juridische) hulpverlener hebben ingeschakeld om voor hen een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaken alleen gaan over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 262,50,-. Verder beschouwt de rechtbank deze zaken vanwege de inhoud als samenhangende zaken.

Daarom blijft de hoogte van de vergoeding beperkt tot het bedrag dat in een zaak zou worden toegekend (artikel 3 van het Bpb). . 3 Vergelijk ECLI:NL:RBGEL:2019:5181 4 Rb. Den Haag, zittingsplaats Arnhem, 25 oktober 2019, r.o. 3 (ECLI:NL:RBDHA:2019:11476) [1] ABRvS 3 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3934). Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen gegrond; vernietigt de, met besluiten gelijk te stellen, niet tijdig nemen van de besluiten; draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog besluiten bekend te maken; bepaalt dat verweerder aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 262,50,- aan proceskosten.

Verweerder moet dit bedrag betalen aan eisers. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman rechter, in aanwezigheid van M. Bos griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken. 25 juni 2020 Documentcode: [documentcode] Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u hiertegen in verzet. U moet hiervoor binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt een verzetschrift indienen.

Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.