Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:9120 ECLI:NL:RBDHA:2020:9120 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:9120 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:9120
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: NL20.16167 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [#] (gemachtigde: mr. F.W. Verbaas), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. H. Remerie). Procesverloop Bij besluit van 28 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Legislator headnote

AI generated

artikel 59 Vw, artikel 59b Vw; ECLI:NL:RBDHA:2020:9120 · Rechtbank Den Haag: Eiser voert allereerst aan dat de voorafgaande maatregel van bewaring van eiser op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, Vw onrechtmatig was, zodat de onderhavige maatregel ook onrechtmatig is te achten. Eiser verwijst hiertoe naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling) van 4 oktober 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BT7118). Hoewel het in die uitspraak over voorafgaande staandehouding ging, moet dit ook gelden voor een voorafgaande onrechtmatige inbewaringstelling. Indien de rechtbank twijfelt, dient een prejudiciële vraag hierover gesteld te worden aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). 3.1 Deze beroepsgrond slaagt niet.

Keywords

AI generated
recognition of refugee status identity verification Nigerian asylum application detention under immigration law proof of persecution risk prohibition of expulsion of nationals

Cited Legislation

AI generated

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2011:BT7118
Procesverloop Bij besluit van 22 januari 2011 is ten aanzien van de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel toegepast, die nadien is voortgezet.
ECLI:NL:RVS:2016:1552
201600206/1/V3. Datum uitspraak: 6 juni 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 11 januari 2016 in zaak nr. 15/22956 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 28 december 2015 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 11 januari 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2019:2866
201810160/1/V3. Datum uitspraak: 28 augustus 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 17 december 2018 in zaak nr. NL18.21924 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 13 november 2018 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 17 december 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2015:1309
201502024/1/V3. Datum uitspraak: 10 april 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 5 maart 2015 in zaak nr. 15/2876 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 9 februari 2015 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld (hierna: de maatregel van bewaring).
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: NL20.16167 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [#] (gemachtigde: mr. F.W. Verbaas), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. H. Remerie). Procesverloop Bij besluit van 28 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt te zijn geboren in Gaza op [geboortedatum] . 1.1 Aan eiser is bij besluit van 25 augustus 2020 de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vw, eerst lid, onder a, Vw opgelegd. Eiser heeft hiertegen ook beroep ingediend (NL20.15982).

Bij uitspraak van heden is dit beroep door deze rechtbank en zittingsplaats ongegrond verklaard.

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk was met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot een vergunning hebben geleid 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Tevens heeft verweerder in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser (1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) dat op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.

3. Eiser voert allereerst aan dat de voorafgaande maatregel van bewaring van eiser op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, Vw onrechtmatig was, zodat de onderhavige maatregel ook onrechtmatig is te achten. Eiser verwijst hiertoe naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling) van 4 oktober 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BT7118). Hoewel het in die uitspraak over voorafgaande staandehouding ging, moet dit ook gelden voor een voorafgaande onrechtmatige inbewaringstelling. Indien de rechtbank twijfelt, dient een prejudiciële vraag hierover gesteld te worden aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). 3.1 Deze beroepsgrond slaagt niet.

Allereerst heeft deze rechtbank bij uitspraak van heden geoordeeld dat de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vw rechtmatig is opgelegd en het door eiser ingediende beroep ongegrond verklaard. Voorts volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2002 (kenmerk: 200105872/1) dat de rechtmatigheid van een eerdere maatregel van bewaring in de procedure tegen een latere maatregel, te weten de onderhavige, niet ter beoordeling kan worden voorgelegd. De rechtbank ziet in het aangevoerde geen aanleiding om een prejudiciële vraag te stellen.

4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd dat eiser de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen. Ook werpt verweerder ten onrechte als lichte grond tegen dat eiser meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot een vergunning hebben geleid. Verweerder stelt dat er meerdere besluiten waren, maar er was maar een eerdere asielaanvraag in 2019. Die aanvraag is ook niet afgewezen, maar buiten behandeling gesteld. 4.1 Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De reden hiervoor is dat eiser de overige grondslagen en de drie zware gronden en de overige drie lichte gronden, als bedoeld in art 5.1b, derde en vierde lid, Vb, niet heeft bestreden. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is dit ruim voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

5. Eiser voert (samengevat) aan dat uit het dossier niet blijkt dat verweerder het zicht op uitzetting heeft meegewogen. Hoewel dit niet expliciet wordt genoemd in de richtlijn 2013/33 (de Opvangrichtlijn) is dit wel een vereiste die voortvloeit uit het gegeven dat er eerder een terugkeerbesluit is genomen en dat sprake is van 'een persoon waartegen een uitwijzings- of uitleveringsprocedure gaande is', zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid onder f, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Uit het arrest JN van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 februari 2016 (C-601/15, ECLI:EU:C:2016:84) volgt dat bewaring van vreemdelingen tijdens hun asielprocedure ook hieronder valt.

Door de asielaanvraag wordt de werking van het eerdere terugkeerbesluit geschorst. 5.1 De Afdeling heeft in een uitspraak van 6 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1552) geoordeeld dat een beoordeling van verweerder van een zicht op uitzetting niet noodzakelijk is bij een maatregel van bewaring op grond van artikel 59b Vw. Verweerder heeft verder op goede gronden een beroep gedaan op een analoge toepassing van hetgeen de Afdeling in een uitspraak (over de grensprocedure) van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2866) heeft overwogen. Ook in de onderhavige situatie is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van schending van artikel 5, eerste lid, onder f, EVRM.

Daarom faalt deze beroepsgrond.

6. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte niet een lichter middel heeft toegepast. Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309). 6.1 De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd heeft aangegeven dat geen lichter middel kon worden toegepast. Dat deze motvering onvoldoende zou zijn is niet onderbouwd. De beroepsgrond faalt.

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier. De uitspraak is uitgesproken op: Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.