Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:8971 ECLI:NL:RBDHA:2020:8971 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:8971 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:8971
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 19/6710 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2020 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] ( [land] ), eiser, en de minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder (gemachtigde: R. Notermans). Procesverloop Bij besluit van 25 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat eiser recht heeft op een bovenwettelijke uitkering van 3 juli 2017 tot 3 juli 2019 en een aanvullende uitkering van 3 juli 2019 tot 3 juli 2023. Bij besluit van 19 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:8971 · Rechtbank Den Haag: Ingevolge artikel 7:15, twee en derde lid, van de Awb geldt dat de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, uitsluitend op verzoek van de belanghebbende kunnen worden vergoed en dat dit verzoek moet worden gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Eiser heeft echter niet, voordat het bestuursorgaan op bezwaar heeft beslist, verzocht om vergoeding van de bezwaarkosten. Reeds daarom heeft eiser geen recht op vergoeding van kosten die hij voor het maken van bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. 8.4.

Keywords

AI generated
occupational retraining normal loss of working hours suspension of benefits recovery of work capacity reinstatement of unemployment benefits occupational disability benefits

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2020:380
18/5273 AW, 18/5274 AW, 18/6545 AW, 18/6546 AW, 18/6134 AW Datum uitspraak: 20 februari 2020 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 augustus 2018, 17/5175 en 18/3835 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (minister) [betrokkene] te [woonplaats] (België) (betrokkene) PROCESVERLOOP De minister heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.
ECLI:NL:CRVB:2017:2830
16/3459 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 15 april 2016, 15/2065 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college) Datum uitspraak: 17 augustus 2017 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M.W. Fransen hoger beroep ingesteld. Namens het college heeft mr. V.L.S. van Cruijningen, advocaat, een verweerschrift ingediend. Mr. E.J.G. Jonkers-Hebben heeft zich als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld.
ECLI:NL:CRVB:2013:BY9279
11/5378 WSF Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 4 augustus 2011, 11/306 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A.
ECLI:NL:CRVB:2019:3754
163469 WW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 14 april 2016, 14/5338 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college) Datum uitspraak: 27 november 2019 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. N.W. Groenhart hoger beroep ingesteld en aanvullende stuken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift en een aanvullend stuk ingediend.
ECLI:NL:CRVB:2012:BW6811
11/4440 WMO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 8 juli 2011, 10/2433 (aangevallen uitspraak) Partijen: de erven en/of rechtverkrijgenden van [betrokkene], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (de erven) het college van burgemeester en wethouders van [woonplaats] (het college) Datum uitspraak: 23 mei 2012 PROCESVERLOOP Namens [betrokkene] (betrokkene) heeft mr. N.W.F.M. Wohlgemuth Kitslaar, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft geen verweerschrift ingediend.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 19/6710 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2020 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] ( [land] ), eiser, en de minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder (gemachtigde: R. Notermans). Procesverloop Bij besluit van 25 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat eiser recht heeft op een bovenwettelijke uitkering van 3 juli 2017 tot 3 juli 2019 en een aanvullende uitkering van 3 juli 2019 tot 3 juli 2023. Bij besluit van 19 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft een reactie op het verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft op grond van artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid plaatsgevonden via een skypeverbinding op 8 september 2020. Daaraan namen deel: - eiser (telefonisch); - de gemachtigde van verweerder. Overwegingen 1. Eiser was werkzaam in dienst van verweerder als brug- en sluisoperator te [plaats] . Bij besluit van 10 mei 2017 is eiser met ingang van 1 juli 2017 ontslag verleend op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen rijksambtenarenreglement (ARAR) wegens ongeschiktheid, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

Bij besluit op bezwaar heeft verweerder dit ontslag in stand gelaten. Dat besluit op bezwaar is door deze rechtbank bij uitspraak van 23 augustus 2018 vernietigd. De rechtbank heeft verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Verweerder heeft ter uitvoering van die uitspraak op 6 november 2018 een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij aan eiser, onder handhaving van de ontslagdatum van 1 juli 2017, ontslag is verleend op andere gronden, als bedoeld in artikel 99 van het ARAR.

2. Bij uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 20 februari 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:380) is de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad heeft het ontslagbesluit van 6 november 2018 vernietigd en het ontslagbesluit van 10 mei 2017 herroepen.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder – uitgaande van een WW-duur van 24 maanden – bepaald dat eiser recht heeft op een bovenwettelijke uitkering van 3 juli 2017 tot 3 juli 2019 en een aanvullende uitkering van 3 juli 2019 tot 3 juli 2023.

4. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

5. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Hij stelt dat de WW-duur onjuist is berekend en 25 maanden moet bedragen. Hij stelt dat aldus de duur van de bovenwettelijke uitkering 75 maanden moet bedragen.

6. In het verweerschrift heeft verweerder nogmaals gemotiveerd waarom de WW-duur 24 maanden zou bedragen. Echter nu eisers ontslag is teruggedraaid, is hij nog in dienst bij verweerder en heeft hij geen recht meer op een bovenwettelijke uitkering. Eiser heeft daarom geen procesbelang meer bij een uitspraak van de rechtbank over de WW-duur, aldus verweerder.

7. Eiser erkent dat door de uitspraak van de Raad van 20 februari 2020 de duur van zijn WW-uitkering niet meer van toepassing is. Hij stelt echter dat hij het beroep heeft ingesteld vóór de uitspraak van de Raad van 20 februari 2020 en dat hij nu wel wil weten wat de duur van zijn uitkering had moeten zijn. Ook heeft hij voor het maken van bezwaar en beroep kosten moeten maken. Hij verzoekt verweerder te veroordelen in deze kosten.

8. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling. 8.1. Volgens vaste rechtspraak, bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 17 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2830 is sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van het beroepschrift met het indienen van het beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijke betekenis kan hebben. Daarbij geldt dat het hebben van een louter formeel of principieel belang onvoldoende is voor het aannemen van procesbelang. 8.2.

Partijen stellen terecht dat eiser door de uitspraak van de Raad van 20 februari 2020 altijd in dienst is gebleven van verweerder en dus geen recht heeft op een bovenwettelijke WW-uitkering. De rechtbank is van oordeel dat eisers procesbelang daarmee is komen te vervallen. Dat hij beroep heeft ingesteld vóór de uitspraak van de Raad doet daaraan niet af. Het enkele feit dat eiser nu graag wil weten wat zijn WW-duur zou zijn geweest, is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang. 8.3. Evenmin kan eiser procesbelang ontlenen aan het feit dat hij voor de bezwaarprocedure kosten heeft moeten maken.

Ingevolge artikel 7:15, twee en derde lid, van de Awb geldt dat de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, uitsluitend op verzoek van de belanghebbende kunnen worden vergoed en dat dit verzoek moet worden gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Eiser heeft echter niet, voordat het bestuursorgaan op bezwaar heeft beslist, verzocht om vergoeding van de bezwaarkosten. Reeds daarom heeft eiser geen recht op vergoeding van kosten die hij voor het maken van bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. 8.4.

Volgens vaste rechtspraak (zie de uitspraken van de Raad van 18 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9279 en van 27 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3754), kan geen procesbelang worden ontleend aan de door eiser gewenste proceskostenveroordeling in beroep. Volgens eveneens vaste rechtspraak (zie de uitspraak van de Raad van 23 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW6811) kan geen procesbelang worden ontleend aan verzochte vergoeding van het griffierecht. 8.5. De rechtbank concludeert dat eiser geen belang meer heeft bij een uitspraak. Het beroep is niet-ontvankelijk, zodat aan een inhoudelijk oordeel over het geschil niet toegekomen kan worden. 8.6.

Van een tegemoetkomen door verweerder is geen sprake. Er zijn dan ook geen aanknopingspunten voor een veroordeling in de proceskosten. Evenmin is er aanleiding voor vergoeding van het griffierecht. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 september 2020. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.