Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:8887 ECLI:NL:RBDHA:2020:8887 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:8887 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:8887
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 19/4381 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2020 in de zaak tussen [eiser] , eiser, v-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. M. Timmer), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. V. Illic). Procesverloop Bij besluit van 7 september 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis afgewezen. Eiser heeft op 9 juli 2019 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:8887 · Rechtbank Den Haag: Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en stelt dat de datum van de adviesaanvraag bepalend is voor de vraag of hij voldoet aan de voorwaarden. Door de adviesaanvraag binnen de termijn van drie maanden in te dienen, heeft hij zijn aanvraag voor een mvv nareis veiliggesteld. Referente was op dat moment namelijk in het bezit van een verblijfsvergunning asiel. Eiser doet daarbij een beroep op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:996) en 2 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2571).

Keywords

AI generated
right to naturalisation delayed asylum application revocation of nationality marriage of convenience revocation of refugee status delayed family reunification

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2013:996
201207530/1/V1. Datum uitspraak: 28 augustus 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Buitenlandse Zaken, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 5 juli 2012 in zaak nr. 11/34854 in het geding tussen: [vreemdeling 1], [vreemdeling 2], [vreemdeling 3], [vreemdeling 4], [vreemdeling 5], [vreemdeling 6] en [vreemdeling 7] (hierna gezamenlijk: de vreemdelingen) en de minister.
ECLI:NL:RVS:2014:2571
201403190/1/V1. Datum uitspraak: 2 juli 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling] en [referent], tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 19 maart 2014 in zaak nr. 13/26462 in het geding tussen: de vreemdeling en referent en de minister van Buitenlandse zaken (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie). Procesverloop Bij besluit van 2 mei 2013 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2019:3697
201903068/1/V1. Datum uitspraak: 5 november 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 22 maart 2019 in zaak nr. 18/6305 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 6 november 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 19/4381 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2020 in de zaak tussen [eiser] , eiser, v-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. M. Timmer), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. V. Illic). Procesverloop Bij besluit van 7 september 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis afgewezen. Eiser heeft op 9 juli 2019 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar.

Bij besluit van 28 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Daarnaast heeft verweerder met een dwangsombesluit beslist op de ingebrekestelling. Bij brief van 16 september 2019 heeft eiser laten weten zijn beroep te handhaven. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Overwegingen 1. Eiser stelt geboren te zijn op [geboortedag] 1957 en de Somalische nationaliteit te bezitten. Hij beoogt verblijf bij [A] , zijn echtgenote (hierna: referente), in het kader van nareis.

2. Verweerder heeft met het primaire besluit de aanvraag afgewezen, omdat referente inmiddels de Nederlandse nationaliteit bezit. Op grond van artikel 29 van de Vreemdelingenwet 2000 (de Vw 2000) is het niet mogelijk een afgeleide verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen wanneer de hoofdpersoon is genaturaliseerd.

3. Verweerder heeft in het bezwaarschrift van eiser geen aanleiding gezien om een ander besluit te nemen. Hij heeft de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd en het bezwaar (kennelijk) ongegrond verklaard.

4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en stelt dat de datum van de adviesaanvraag bepalend is voor de vraag of hij voldoet aan de voorwaarden. Door de adviesaanvraag binnen de termijn van drie maanden in te dienen, heeft hij zijn aanvraag voor een mvv nareis veiliggesteld. Referente was op dat moment namelijk in het bezit van een verblijfsvergunning asiel. Eiser doet daarbij een beroep op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:996) en 2 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2571).

In deze uitspraken heeft de Afdeling geoordeeld dat het meerderjarig worden van kinderen na de adviesaanvraag niet meer bij de beoordeling kan worden betrokken en het voldoen aan deze voorwaarde is veiliggesteld met de adviesaanvraag. Verder betoogt eiser dat het bestreden besluit onduidelijk is over hoe verweerder, in het geval hij een aanvraag indient voor een verblijfsvergunning regulier, in deze reguliere verblijfsprocedure rekening houdt met dat referente een verblijfsvergunning asiel heeft gehad en de belangen van zijn jongste kind.

5. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder terecht eisers aanvraag voor een mvv heeft afgewezen, omdat referente de Nederlandse nationaliteit bezit. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. 5.1. De Afdeling heeft bij uitspraak van 5 november 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3697) de vraag beantwoord of een vreemdeling in aanmerking komt voor nareis bij een referent die de driemaandentermijn heeft veiliggesteld en ten tijde van een opvolgende aanvraag is genaturaliseerd tot Nederlander. In deze uitspraak heeft de Afdeling allereerst geoordeeld dat wanneer de vreemdeling binnen de driemaandentermijn een mvv-aanvraag indient om deze termijn veilig te stellen verweerder bij een opvolgende aanvraag de driemaandentermijn niet tegenwerpt.

Dit betekent echter niet dat verweerder bij een opvolgende aanvraag ook moeten beoordelen of de hoofdpersoon ten tijde van de aanvraag waarmee de driemaandentermijn is veiliggesteld een asielvergunning had. Of de hoofdpersoon een asielvergunning bezit, dient verweerder te beoordelen aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals die zijn op het moment waarop hij beslist op de voorliggende (opvolgende) aanvraag. De door eiser aangehaalde uitspraken van de Afdeling maken dit niet anders, nu deze uitspraken zijn van voor de uitspraak van 5 november 2019 en niet zien op de voorwaarde of de hoofdpersoon een asielvergunning bezit, maar op de voorwaarde of het nareizende familielid in het land van herkomst behoorde tot het gezin van de hoofdpersoon.

Bij deze voorwaarde wordt de situatie beoordeeld op het moment van vertrek van de hoofdpersoon uit het land van herkomst. De beoordeling staat dus los van het moment waarop de aanvraag is ingediend. 5.2. Verder volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2019 dat eiser de mogelijkheid heeft een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan te vragen, zoals meegedeeld in het bestreden besluit. Daarbij wordt een individuele beoordeling gemaakt, waarbij rekening wordt gehouden met het belang van het kind en de omstandigheid dat referente een verblijfsvergunning asiel heeft gehad.

Zoals verweerder opmerkt in het verweerschrift en volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2019 kan het feit dat referente in het bezit is geweest van een asielvergunning een relevant element zijn bij de beoordeling of zij voldoet aan het middelenvereiste en bij een eventueel verzoek om vrijstelling van de plicht om leges te betalen.

6. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het bestreden besluit op het bezwaar van eiser heeft beslist. Daarnaast heeft verweerder een dwangsom toegekend, waarvan de hoogte niet door eiser is betwist. Dit maakt dat eiser geen belang meer heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het uitblijven van een besluit, zodat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Zoals blijkt uit het bovenstaande slagen eisers beroepsgronden tegen het bestreden besluit niet, zodat het beroep in zoverre ongegrond moeten worden verklaard.

7. De rechtbank ziet wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken voor het instellen van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 262,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 0,5). Beslissing De rechtbank - verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond; en - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroes, griffier. De beslissing is uitgesproken op 5 juni 2020. griffier rechter Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.