Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:8679 ECLI:NL:RBDHA:2020:8679 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:8679 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:8679
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/596337 / KG ZA 20-680 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 31 augustus 2020 in de zaak van [eiser] , thans gedetineerd in Detentiecentrum [plaats] , eiser, advocaat mr. L.A. Sjadijeva te Rotterdam, tegen: DE STAAT DER NEDERLANDEN (ministerie van Justitie en Veiligheid), zetelend te Den Haag, advocaat mr. L. Sieverink te Den Haag. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ' [eiser] ' en 'de Staat'. Aanwezig is mr. H.J. Vetter, voorzieningenrechter, bijgestaan door J.W. van Leeuwen, griffier.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6 EVRM; ECLI:NL:RBDHA:2020:8679 · Rechtbank Den Haag: Daarmee is volgens [eiser] het bepaalde in artikel 6 EVRM geschonden en was het onderzoek ter terechtzitting nietig; dit had achterwege moeten blijven. [eiser] stelt dat hij als gevolg van dat onrechtmatige handelen van de Staat op dit moment ten onrechte is gedetineerd en vordert zijn onmiddellijke invrijheidstelling. 1.3. Het gevorderde komt niet voor toewijzing in aanmerking. Daartoe is het volgende redengevend. 1.4. Op zichzelf staat vast dat de gang van zaken met betrekking tot de oproeping (van de advocaat van [eiser] ) voor de zitting bij de politierechter - zacht gezegd - ongelukkig is verlopen.

Keywords

AI generated
ground for detention continuation of pretrial detention compensation for unlawful detention stay of removal unlawful pre-trial detention rights of detainees

Cited Legislation

AI generated
artikel 6 EVRM
Daarmee is volgens [eiser] het bepaalde in artikel 6 EVRM geschonden en was het onderzoek ter terechtzitting nietig; dit had achterwege moeten blijven.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/596337 / KG ZA 20-680 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 31 augustus 2020 in de zaak van [eiser] , thans gedetineerd in Detentiecentrum [plaats] , eiser, advocaat mr. L.A. Sjadijeva te Rotterdam, tegen: DE STAAT DER NEDERLANDEN (ministerie van Justitie en Veiligheid), zetelend te Den Haag, advocaat mr. L. Sieverink te Den Haag. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ' [eiser] ' en 'de Staat'. Aanwezig is mr. H.J. Vetter, voorzieningenrechter, bijgestaan door J.W. van Leeuwen, griffier.

Verschenen zijn: - de heren [A] , medewerker bij het Parket-Generaal van het Openbaar Ministerie, en [B] , executie-officier van justitie bij het parket Rotterdam, namens de Staat, bijgestaan door mr. L. Sieverink; - de advocaten mrs. L.A. Sjadijeva en T. Altindag, namens [eiser] . Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan.

Deze luidt als volgt. 1De gronden van de beslissing 1.1. [eiser] bevindt zich thans in detentie krachtens een uitspraak van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 29 juni 2020, waarbij de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke deel (90 dagen) van een hem op 27 augustus 2019 opgelegde gevangenisstraf (van 365 dagen) werd gelast. 1.2. [eiser] stelt zich - kort gezegd - op het standpunt dat de oproeping voor de zitting bij de politierechter niet correct is verlopen, als gevolg waarvan zijn advocaat niet bij de zitting aanwezig is geweest, zodat hij in zijn verdediging is benadeeld.

Daarmee is volgens [eiser] het bepaalde in artikel 6 EVRM geschonden en was het onderzoek ter terechtzitting nietig; dit had achterwege moeten blijven. [eiser] stelt dat hij als gevolg van dat onrechtmatige handelen van de Staat op dit moment ten onrechte is gedetineerd en vordert zijn onmiddellijke invrijheidstelling. 1.3. Het gevorderde komt niet voor toewijzing in aanmerking. Daartoe is het volgende redengevend. 1.4. Op zichzelf staat vast dat de gang van zaken met betrekking tot de oproeping (van de advocaat van [eiser] ) voor de zitting bij de politierechter - zacht gezegd - ongelukkig is verlopen.

De in deze civiele procedure voorliggende vraag is of de Staat daarmee onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en de detentie van [eiser] als gevolg daarvan ook onrechtmatig is, wat de Staat gemotiveerd bestrijdt. 1.5. Zelfs indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat de (ongelukkige) gang van zaken als onrechtmatig ten opzichte van [eiser] moet worden aangemerkt, is diens vordering niet toewijsbaar. Niet kan worden aangenomen namelijk dat de beslissing van de politierechter anders zou zijn uitgepakt indien [eiser] op de zitting wel was bijgestaan door zijn advocaat.

Uit het door de Staat in het geding gebrachte advies van de Reclassering volgt onmiskenbaar dat [eiser] niet en zelfs geenszins heeft voldaan aan de voorwaarde om zich onder behandeling te stellen in een forensische psychiatrische kliniek, welke voorwaarde was verbonden aan het voorwaardelijke deel van de hem opgelegde gevangenisstraf. Ter zitting heeft mr. Sjadijeva op een daartoe strekkende vraag van de voorzieningenrechter gesteld dat zij ten overstaan van de politierechter betoogd zou hebben dat [eiser] wel bereid was om mee te werken aan de behandeling, maar een deugdelijke onderbouwing aan de hand van feiten en omstandigheden heeft zij toen niet gegeven.

Dat de politierechter de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke deel van de straf niet zou hebben gelast, is dan ook uiterst onaannemelijk. 1.6. Gevolg van dit laatste is, uitgaande van onrechtmatig handelen van de Staat, dat het vereiste causale verband tussen het - veronderstelde - handelen van de Staat en de detentie van [eiser] , ontbreekt. Op grond hiervan zal de vordering van [eiser] worden afgewezen. 1.7. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

2De beslissing

De voorzieningenrechter: 2.1. wijst de vordering van [eiser] af; 2.2. veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.636,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 656,-- aan griffierecht, welke veroordeling uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. WAARVAN PROCES-VERBAAL, …………………………………. ………………………………… J.W. van Leeuwen mr. H.J. Vetter