Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:8479 ECLI:NL:RBDHA:2020:8479 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:8479 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:8479
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.12974 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummeraanduiding] (gemachtigde: mr. W.R.S. Ramhit), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. D. Berben). Inleiding Bij besluit van 22 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder eiser in vreemdelingenbewaring gesteld1 met het oog op de overdracht van eiser aan Zweden. Eiser zou namelijk een asielstatus hebben in Zweden. Verweerder heeft de maatregel van bewaring op 8 juli 2020 opgeheven, omdat is gebleken dat de asielstatus van eiser in Zweden per 19 mei 2020 is ingetrokken.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:8479 · Rechtbank Den Haag: Op basis van het proces-verbaal van bevindingen van 21 juni 2020 stelt de rechtbank het volgende vast. Verbalisanten, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , kregen op 21 juni 2020 omstreeks 19:15 uur een melding dat sprake was van mishandeling op de [straatnaam 1] in [plaatsnaam] . Dit bleek uiteindelijk de [straatnaam 2] in [plaatsnaam] te zijn. Verbalisanten werden daar door een onbekende man gewenkt. Zij zagen vier mensen op straat waaronder eiser. De aangever vertelde verbalisanten dat hij was opgewacht door eiser en dat eiser hem aanviel. De aangever liet letsel zien aan zijn arm en been.

Keywords

AI generated
reinstatement of refugee status lack of persecution removal undue delay in asylum reassessment of asylum claim immigration law violation

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2017:504
201700683/1/V3. Datum uitspraak: 21 februari 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 16 januari 2017 in zaak nr. 17/112 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 2 januari 2017 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 16 januari 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2015:674
201408880/1/V3 Datum uitspraak: 23 februari 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 30 oktober 2014 in zaak nr. 14/23640 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 14 oktober 2014 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
ECLI:NL:RVS:2015:1309
201502024/1/V3. Datum uitspraak: 10 april 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 5 maart 2015 in zaak nr. 15/2876 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 9 februari 2015 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld (hierna: de maatregel van bewaring).
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.12974 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummeraanduiding] (gemachtigde: mr. W.R.S. Ramhit), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. D. Berben). Inleiding Bij besluit van 22 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder eiser in vreemdelingenbewaring gesteld1 met het oog op de overdracht van eiser aan Zweden. Eiser zou namelijk een asielstatus hebben in Zweden. Verweerder heeft de maatregel van bewaring op 8 juli 2020 opgeheven, omdat is gebleken dat de asielstatus van eiser in Zweden per 19 mei 2020 is ingetrokken.

De te beoordelen periode loopt daarom van 22 juni 2020 tot en met 8 juli 2020. Eiser is van mening dat hij ten onrechte in bewaring heeft gezeten en heeft daarom beroep ingesteld tegen de maatregel. Met het instellen van beroep verzoekt eiser ook om toekenning van schadevergoeding. Deze zaak gaat over de vraag of verweerder eiser in vreemdelingenbewaring mocht stellen. De zitting vond plaats op 13 juli 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer A. Biada. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen Eiser stelt dat hij de Palestijnse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 1987. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat eiser niet uiterlijk op de veertiende dag na ontvangst van het beroepschrift ter zitting is gehoord. Eiser heeft namelijk op 24 juni 2020 beroep ingesteld tegen deze maatregel en had eiser dus uiterlijk op 8 juli 20202 gehoord 1. Op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). 2 Gelet op artikel 94, vierde lid, van de Vw moeten worden. De gemachtigde van eiser heeft namens eiser per bericht van 29 juni 2020 gevraagd om uitstel van de zitting en daarbij expliciet toestemming gegeven om af te wijken van de geldende termijnen en het beginsel van speedy trial, als bedoeld in artikel 5 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Ter zitting hebben eiser en zijn gemachtigde desgevraagd bevestigd dat eiser daarmee formeel afstand heeft gedaan van zijn recht om binnen de geldende termijn gehoord te worden. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de overschrijding van de termijn van veertien dagen in dit geval de maatregel van bewaring niet onrechtmatig maakt.

3. Eiser voert aan dat de aanhouding onrechtmatig is geweest. Er was namelijk geen sprake van mishandeling door eiser en eiser is na de aanhouding ook niet strafrechtelijk vervolgd.

4. Op basis van het proces-verbaal van bevindingen van 21 juni 2020 stelt de rechtbank het volgende vast. Verbalisanten, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , kregen op 21 juni 2020 omstreeks 19:15 uur een melding dat sprake was van mishandeling op de [straatnaam 1] in [plaatsnaam] . Dit bleek uiteindelijk de [straatnaam 2] in [plaatsnaam] te zijn. Verbalisanten werden daar door een onbekende man gewenkt. Zij zagen vier mensen op straat waaronder eiser. De aangever vertelde verbalisanten dat hij was opgewacht door eiser en dat eiser hem aanviel. De aangever liet letsel zien aan zijn arm en been.

Eiser is vervolgens aangehouden als verdachte van mishandeling. Uit het proces-verbaal blijkt voldoende duidelijk dat er een strafrechtelijke aanleiding was om eiser aan te houden. Volgens vaste rechtspraak van de ABRvS is het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw toegekende bevoegdheden. Daartoe moet men zich wenden tot de voor toetsing van strafrechtelijk optreden aangewezen rechter of tot een rechter met algemene bevoegdheid. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

5. Eiser voert verder aan dat er geen grondslag was om hem in bewaring te stellen. Nu de Zweedse autoriteiten het terug-en overname verzoek van verweerder hebben afgewezen omdat de asielstatus van eiser is ingetrokken, is het onduidelijk naar welk land eiser moet vertrekken.

6. De rechtbank overweegt als volgt. Ten tijde van in bewaringstelling was verweerder in de veronderstelling dat eiser in Zweden een asielstatus had. Op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vw is het mogelijk om een statushouder van een andere lidstaat in bewaring te stellen tot aan de overdracht. Verweerder heeft op 22 juni 2020 een terug- en overname verzoek verstuurd aan Zweden. Op 6 juli 2020 hebben de Zweedse autoriteiten laten weten dat de asielstatus van eiser per 19 mei 2020 is ingetrokken. Vervolgens is de huidige maatregel van bewaring op 8 juli 2020 opgeheven en eiser in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Gelet op het voorgaande is eiser op 22 juni 2020 op de juiste wettelijke grondslag in bewaring gesteld. Toen bleek dat eiser niet langer een asielstatus had in Zweden heeft verweerder de grondslag van maatregel tijdig, namelijk binnen twee dagen, gewijzigd.3 De beroepsgrond slaagt daarom niet.

7. Tot slot voert eiser aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser kan namelijk met een meldplicht in het AZC in [plaatsnaam] verblijven. 3 zie ECLI:NL:RVS:2017:504.

8. De rechtbank moet beoordelen of verweerder terecht geen lichter middel heeft gekozen dan de inbewaringstelling. Verweerder mag daarbij niet alleen verwijzen naar de bewaringsgronden, maar moet in de maatregel specifiek motiveren waarom hij de bewaring noodzakelijk vindt. Daarbij moet verweerder ook ingaan op persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Dit is vaste rechtspraak.4 Dat heeft verweerder in deze zaak gedaan en verweerder hoefde geen lichter middel toe te passen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat niet is gebleken dat eiser een asielaanvraag heeft lopen en dus recht heeft op opvang in het AZC.

Daarnaast heeft verweerder tijdens het gehoor voor de inbewaringstelling op 22 juni 2020 voldoende concrete vragen aan eiser gesteld over mogelijk bijzondere feiten en omstandigheden. Er zijn door eiser geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat de maatregel van bewaring voor eiser onevenredig bezwarend is. Verder heeft eiser geen documenten en heeft eiser eerder geen pogingen ondernomen om zijn vertrek te realiseren. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht overwogen dat een lichter middel zoals een meldplicht, niet zal leiden tot het zelfstandig vertrek van eiser.

De beroepsgrond slaagt niet.

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Karman, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier. 4 Onder meer de uitspraken van de ABRvS van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en van 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309). De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 21 juli 2020 Documentcode: DSR12237093 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.