Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:8313 ECLI:NL:RBDHA:2020:8313 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:8313 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:8313
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL18.22127 tussenuitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [Naam], eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. N. Vollebergh), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigden: mr. A. Hadfy-Kovacs, mr. R.A.P.M. van der Zanden en mr. J.H.M. Post). Procesverloop Bij besluit van 16 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Legislator headnote

AI generated

artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:80a van de Awb; ECLI:NL:RBDHA:2020:8313 · Rechtbank Den Haag: Gelet hierop heeft verweerder in het bestreden besluit, in de verweerschriften en tijdens de zittingen niet onverkort kunnen vasthouden aan het FMMU-advies van 4 september 2018. In zoverre is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Keywords

AI generated
further medical assessment information and verification undisclosed pre-existing condition right to know one's parentage medical unfitness State Secretariat for Migration

Cited Legislation

AI generated
artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht
In zoverre is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
artikel 8:80a van de Awb
Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2018:2084
201703047/1/V2. Datum uitspraak: 27 juni 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 15 maart 2017 in zaak nr. 16/18554 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 21 juli 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 15 maart 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
ECLI:NL:RVS:2018:2085
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, 2.
ECLI:NL:RVS:2018:2086
201607370/1/V2. Datum uitspraak: 27 juni 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 29 augustus 2016 in zaak nr. 15/8884 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 28 april 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 29 augustus 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
ECLI:NL:RVS:2013:CA2877
201105754/1/A4. Datum uitspraak: 12 juni 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellante], (hierna: het autobedrijf), gevestigd te [plaats, 2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats], 3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats], en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 4 april 2011 heeft het college aan [appellante sub 2] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het bewerken van hout en metaal, de opslag van materialen en materieel en het inzamelen en verbranden van A-hout op het perceel [locatie] te [plaats].
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL18.22127 tussenuitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [Naam], eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. N. Vollebergh), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigden: mr. A. Hadfy-Kovacs, mr. R.A.P.M. van der Zanden en mr. J.H.M. Post). Procesverloop Bij besluit van 16 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Op 10 januari 2019 heeft er een zitting van de enkelvoudige kamer plaatsgevonden. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J.B. Rutagengwa. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A.P.M. van der Zanden. Bij beslissing van 15 januari 2019 heeft de rechtbank het onderzoek geschorst. Eiser heeft een iMMO-rapportage overgelegd. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. Eiser en het iMMO hebben een reactie op het verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft een aanvullend verweerschrift ingediend. Eiser heeft een reactie op het aanvullend verweerschrift ingediend. Op 16 juli 2020 heeft er een zitting van de meervoudige kamer plaatsgevonden in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen B. van Brunschot. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H.M. Post. Ter zitting is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1994 en bezit de Oegandese nationaliteit.

2. Kort weergegeven heeft eiser aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en dat hij daardoor in Oeganda te vrezen heeft voor zijn familie en voor de autoriteiten.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het niet geloofwaardig is dat eiser homoseksueel is.

4. Op wat eiser daartegen aanvoert wordt hierna ingegaan. De rechtbank oordeelt als volgt. Beoordelingskader 5. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft op 27 juni 2018 in haar uitspraken met vindplaatsen ECLI:NL:RVS:2018:2084, ECLI:NL:RVS:2018:2085 en ECLI:NL:RVS:2018:2086 uiteengezet hoe moet worden omgegaan met medische adviezen aan verweerder van de Forensisch Medische Maatschappij Utrecht (FMMU) en iMMO.

6. In rechtsoverweging 10.2 van de uitspraak met vindplaats ECLI:NL:RVS:2018:2085 is geoordeeld dat als een vreemdeling ná het uitbrengen van een FMMU-advies, maar vóór het afnemen van de gehoren medische informatie inbrengt die de FMMU niet bekend was ten tijde van het opstellen van dat advies, de zorgvuldigheid vereist dat verweerder onderzoekt wat deze informatie betekent voor het horen van de vreemdeling en zo nodig de FMMU daarover raadpleegt. Medische informatie 7. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende kenbaar heeft gemaakt hoe zijn medische gesteldheid bij de beoordeling is betrokken. Daarbij wijst hij in de eerste plaats op het afschrift van zijn patiëntendossier van 1 november 2018, dat hij op 7 november 2018 aan verweerder heeft toegezonden.

8. De rechtbank stelt vast dat sprake is van de hiervoor onder 6. beschreven situatie. Immers, de FMMU heeft op 4 september 2018 aan verweerder een medisch advies uitgebracht en eiser heeft daarna, maar vóór het afnemen van het eerste gehoor op 8 november 2018 en het nader gehoor op 12 november 2018 nieuwe medische informatie ingebracht. De rechtbank ziet zich dan ook allereerst gesteld voor de vraag of verweerder voldoende zorgvuldig met deze nieuwe medische informatie is omgegaan.

9. Uit het afschrift van het patiëntendossier blijkt onder meer dat eiser lijdt aan post-traumatische stressstoornis (PTSS) en dat hij last heeft van angstklachten, slaapproblemen en moeite heeft om mensen te vertrouwen en om te praten over wat hem is overkomen. Verder blijkt dat eiser op 1 november 2018 onder meer een slaapmedicijn (Clonidine) en een antidepressivum (Trazodon) gebruikt. Bij de vraag wat relevant is voor het horen en beslissen heeft de FMMU in het advies van 4 september 2018 slechts opgemerkt dat eiser last kan hebben van vermoeidheid en dat hij stelt dat hij last heeft van geheugenklachten maar dat daarvan tijdens het medisch onderzoek niet is gebleken.

10. Aldus ontstaat er uit het patiëntendossier een ander beeld dan uit het FMMU-advies. Uit eisers onderliggende dossier kan niet worden afgeleid of en in hoeverre verweerder onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van de nieuwe medische informatie voor het horen en beslissen. Op pagina 3 van het rapport van het nader gehoor van 12 november 2018 staat een afgebroken zin waaruit blijkt dat de gehoorambtenaar “stukken van je dokter” heeft gezien. Aan de hand hiervan kan echter geenszins worden vastgesteld of verweerder zich heeft vergewist van de inhoud van de nieuwe medische informatie, of verweerder heeft onderzocht wat de gevolgen daarvan zijn voor het horen en beslissen en of verweerder is nagegaan of het noodzakelijk was om een aanvullend medisch advies bij de FMMU op te vragen.

11. Gelet hierop heeft verweerder in het bestreden besluit, in de verweerschriften en tijdens de zittingen niet onverkort kunnen vasthouden aan het FMMU-advies van 4 september 2018. In zoverre is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

12. Het door eiser op 27 maart 2020 overgelegde onderliggende ‘Horen en Beslissen dossier’ van de FMMU bij het advies van 4 september 2018 geeft in dat verband aanleiding tot verdere twijfel. Daarin is neergelegd dat bij eiser sprake is van een medische bijzonderheid, te weten “Aandoening van het centraal zenuwstelsel psychisch en neurologisch”. Hierover is echter geen verdere uitleg gegeven. Evenmin is uiteengezet waarom er kennelijk geen aanleiding is geweest om hierover iets op te merken in het advies van 4 september 2018. Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder tijdens de zitting van 16 juli 2020 hierover geen helderheid kunnen bieden. Conclusie 13. Er is sprake van een gebrek in het bestreden besluit. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen om een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak.

14. De rechtbank ziet in deze zaak aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken. Daartoe is redengevend dat de rechtbank zich pas kan uitspreken over de verdere geschilpunten in deze zaak wanneer zou blijken dat het hiervoor onder 11. geconstateerde gebrek in het bestreden besluit kan worden hersteld.

15. Op grond van artikel 8:80a, tweede lid, van de Awb geeft de rechtbank de volgende aanwijzingen aan verweerder. Het gebrek kan worden hersteld met een aanvullende motivering waaruit blijkt dat verweerder heeft onderzocht wat de gevolgen zijn van de door eiser op 7 november 2018 overgelegde medische informatie voor het horen en beslissen en dat verweerder is nagegaan of het nodig was om de FMMU daarover te raadplegen en wat hiervan de uitkomst is geweest. Indien dit eerdere onderzoek niet heeft plaatsgevonden dient verweerder na te gaan in hoeverre dit gebrek achteraf hersteld kan worden.

16. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen om binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder.

17. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn ingediend ten tijde van de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877).

18. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat er over de proceskosten nu nog geen beslissing wordt genomen. Beslissing De rechtbank:  draagt verweerder op om binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen;  stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak, of plaatsing van deze tussenuitspraak in het digitale dossier, het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

 houdt iedere verdere beslissing aan. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter en voorzitter, en mr. B.F.Th. de Roos en mr. M.Z.B. Sterk, rechters, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak. instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek