Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:8107 ECLI:NL:RBDHA:2020:8107 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:8107 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:8107
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummer: 09/767189-16 Datum uitspraak: 26 augustus 2020 Vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht Beslissing van de rechtbank Den Haag, rechtdoende in strafzaken, op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1988 te Amersfoort, [adres] .

Legislator headnote

AI generated

artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, artikel 36e lid 1 Sr, artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering; ECLI:NL:RBDHA:2020:8107 · Rechtbank Den Haag: Bij in ‘rechte toegekend zijn’ kan worden gedacht aan het geval dat een schadebedrag de benadeelde derde als gevoegde partij is toegekend of als de schadevergoedingsmaatregel van art. 36f is opgelegd. De rechtbank stelt vast dat de strafzaak tegen de veroordeelde met het arrest van de Hoge Raad van 9 juni 2020 onherroepelijk is geworden. De rechtbank zal derhalve de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] zoals toegewezen door het Gerechtshof ad € 31.000,00 in mindering brengen. Tussenconclusie van de rechtbank over de kosten De rechtbank komt tot het oordeel dat de totale kosten die van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen worden afgetrokken moeten worden geschat op € 59.600,00 (€ 22.000,00 + € 4.400,00 + € 2.200,00 + € 31.000). 3.2.1.5.

Keywords

AI generated
right to price reduction public takeover bid principles governing public procurement claims settlement arm's length principle favourability principle

Cited Legislation

AI generated
artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
artikel 36e lid 1 Sr
3.2 Schatting wederrechtelijk verkregen voordeel De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de veroordeelde voordeel heeft genoten uit de baten van de bewezen verklaarde feiten (artikel 36e lid 1 Sr).
artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering
legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 59.026,58 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel; bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 315 dagen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHDHA:2018:1690
Rolnummer: 22-003476-17 Parketnummers: 09-767189-16 en 16-145668-13 (TUL) Datum uitspraak: 27 juni 2018 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 2 augustus 2017 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1988, [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 31 mei en 27 juni 2018. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 en 2 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 3 en 4 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist op de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf en de vorderingen van de benadeelde partijen zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Omvang van het hoger beroep Op 16 april 2018 heeft de advocaat-generaal ter griffie verklaard het op 8 augustus 2017 door de officier van justitie ingestelde beroep partieel in te trekken, met dien verstande dat zij het appel met betrekking tot de feiten 3 en 4 op de voet van en overeenkomstig het bepaalde in artikel 453, tweede lid, juncto artikel 454, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, intrekt. De verdachte heeft tegen het vonnis van de rechtbank geen hoger beroep ingesteld. Het onderhavige hoger beroep is aldus niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven veroordeling ter zake van het onder 3 en 4 ten laste gelegde. Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen. Tenlastelegging Aan de verdachte is – voor zover thans nog aan de orde en na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat: 1:hij op een of meer tijdstippen in de periode van 12 december 2013 tot en met 31 maart 2015 te 's-Gravenhage en/of Utrecht en/of Breukelen en/of elders in Nederland, A) een ander, te weten naam [aangeefster 1], (telkens) door dwang, geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) of door dreiging met geweld of (een) andere feitlijkhe(i)d(en), door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie, - heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [aangeefster 1] (sub 1°) en/of - heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die omstandighe(i)d(en) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [aangeefster 1] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard (sub 4°) en/of - heeft gedwongen dan wel bewogen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van haar, [aangeefster 1], seksuele handelingen met en/of voor een derde (sub 9°) en/of B)(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van die/een ander of anderen, te weten naam [aangeefster 1], (sub 6°), immers heeft verdachte - een (liefdes)relatie met die [aangeefster 1] gehad en/of - die [aangeefster 1] gehuisvest en/of - die [aangeefster 1] van en naar haar werk vervoerd en/of - tegen die [aangeefster 1] gezegd "Samen tot het eind, of jij gaat dood, of ik ga dood", althans woorden gelijke dreigende aard of strekking en/of - die [aangeefster 1] een (vuur)wapen getoond en/of - ( meermalen) de telefoon van die [aangeefster 1] heeft weggegooid om te zorgen dat er geen bewijs zou zijn en/of - die [aangeefster 1] (meermalen) mishandeld (door haar met een pen te steken in de hand en/of te trappen en/of schoppen en/of slaan en/of stompen) en/of - die [aangeefster 1] mishandeld als zij niet wilde gaan werken en/of wanneer zij haar verdiende geld niet aan verdachte af wilde staan en/of - ( aldus) bepaald wanneer en/of hoe lang die [aangeefster 1] moest werken en/of - tegen die [aangeefster 1] gezegd dat hij haar in de prostitutie verdiende geld voor haar zou sparen en/of bewaren en/of een (kappers)zaak voor haar/hen zou openen en/of - die [aangeefster 1] geïsoleerd en/of verhinderd dat zij contact met familie en/of vrienden zou hebben en/of - die [aangeefster 1] (meermalen) gedurende een werkdag gevraagd hoeveel zij had verdiend en/of - die [aangeefster 1] gedwongen althans bewogen lange dagen te werken in de prostitutie en/of - die [aangeefster 1] (aldus) gedwongen, althans bewogen (een groot deel van) haar met de prostitutie verdiende geld aan hem af te staan; 2:hij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 februari 2014 tot en met 31 maart 2015 te Amsterdam en/of 's-Gravenhage en/of IJsselstein en/of elders in Nederland en/of Antwerpen te België A) een ander of anderen, te weten [aangeefster 2], (telkens) door dwang, geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie, - heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [aangeefster 2] (sub 1°) en/of - heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die omstandighe(i)d(en) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [aangeefster 2] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard (sub 4°) en/of - heeft gedwongen dan wel bewogen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van haar, [aangeefster 2], seksuele handelingen met en/of voor een derde (sub 9°) en/of B)(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van die/een ander of anderen, te weten naam [aangeefster 2], (sub 6°), immers heeft verdachte: - een (liefdes)relatie met die [aangeefster 2] gehad en/of - misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van die [aangeefster 2] (door het recente overlijden van haar voormalige vriend) en/of - die [aangeefster 2] overgehaald in Antwerpen te gaan werken als prostituee en/of - een deel van de huur van een prostitutiekamer en/of een hotelkamer in Antwerpen betaald en/of - die [aangeefster 2] naar het werk gebracht en/of na het werk opgehaald en/of haar door bekenden van hem, verdachte, laten brengen en/of ophalen en/of - die [aangeefster 2] (meermalen) heeft mishandeld (door haar te slaan en/of stompen en/of trappen en/of schoppen en/of duwen en/of in haar keel te knijpen en/of van de galerij naar beneden te duwen) en/of - die [aangeefster 2] (meermalen) mishandeld als zij niet wilde gaan werken en/of wanneer zij haar verdiende geld niet aan verdachte af wilde staan en/of - ( aldus) bepaald wanneer en/of hoe lang die [aangeefster 2] moest werken en/of - die [aangeefster 2] bedreigd met een (vuur)wapen en/of tegen die [aangeefster 2] gezegd "nu is het einde voor jou" en/of - die [aangeefster 2] geïsoleerd en/of verhinderd dat zij contact met familie en/of vrienden zou hebben en/of - tegen die [aangeefster 2] gezegd dat hij het geld dat zij in de prostitutie verdiende voor haar zou bewaren en/of sparen en/of een (spraytan)zaak voor haar/hen zou openen en/of - wanneer die [aangeefster 2] zei dat ze wilde stoppen met het werken gezegd dat zij door moest werken en/of dat hij een (spraytan)zaak voor haar/hen zou openen en/of - die [aangeefster 2] (meermalen) gedurende een werkdag gevraagd hoeveel zij had verdiend en/of - die [aangeefster 2] (aldus) gedwongen, althans bewogen, (een groot deel) van haar met de prostitutie verdiende geld van hem af te staan en/of dat geld van die [aangeefster 2] afgepakt. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep partieel zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zesenvijftig maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Voorts heeft zij gevorderd dat tegen de verdachte een bevel tot gevangenneming zal worden verleend tegen de datum van de einduitspraak. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Partiële vrijspraak Het hof is van oordeel dat voor de onder 1 en 2 ten laste gelegde dwangmiddelen ‘dwang’, ‘andere feitelijkhe(i)d(en)’,‘dreiging met geweld of andere feitelijkhe(i)d(en)’, ‘afpersing’, ‘fraude’ en ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’ te weinig steunbewijs in het dossier voorhanden is. De verdachte wordt dan ook van deze dwangmiddelen partieel vrijgesproken. Het hof spreekt de verdachte eveneens vrij van het onder 2 ten laste gelegde dwangmiddel ‘misbruik van een kwetsbare positie’. Voorts overweegt het hof dat beide slachtoffers reeds vóór aanvang van de onder 1 en 2 ten laste gelegde perioden in Nederland werkzaam waren in de prostitutie. Uit de verklaringen van de slachtoffers noch uit enig ander bewijsmiddel valt af te leiden of en in hoeverre het (mis)handelen van de verdachte van invloed is geweest op de omstandigheid dat beide aangeefsters in de prostitutie zijn blijven werken (artikel 273f, eerste lid, onderdeel 4 Sr.). Evenmin is er voldoende (steun)bewijs dat het oordeel kan dragen dat de verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van de aangeefsters [aangeefster 1] en [aangeefster 2] (artikel 273f, eerste lid, onderdeel 6 Sr.). Dit brengt mee dat de verdachte van die onderdelen van het onder 1 en 2 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. hij op een of meer tijdstippen in de periode van 12 december 2013 tot en met 31 maart 2015 te 's-Gravenhage en/of Utrecht en/of Breukelen en/of elders in Nederland, A) een ander, te weten naam [aangeefster 1], (telkens) door dwang, geweld en of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) of door dreiging met geweld of (een) andere feitlijkhe(i)d(en), door afpersing, fraude, misleiding en dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie, - heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [aangeefster 1] (sub 1°) en/of - heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die omstandighe(i)d(en) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [aangeefster 1] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard (sub 4°) en/of -heeft gedwongen dan wel bewogen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van haar, [aangeefster 1], seksuele handelingen met en/of voor een derde (sub 9°) en/of B)(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van die/een ander of anderen, te weten naam [aangeefster 1], (sub 6°), immers heeft verdachte - een (liefdes)relatie met die [aangeefster 1] gehad en/of - die [aangeefster 1] gehuisvest en/of - die [aangeefster 1] van en naar haar werk vervoerd en/of - tegen die [aangeefster 1] gezegd "Samen tot het eind, of jij gaat dood, of ik ga dood", althans woorden gelijke dreigende aard of strekking en/of - die [aangeefster 1] een (vuur)wapen getoond en/of - (meermalen) de telefoon van die [aangeefster 1] heeft weggegooid om te zorgen dat er geen bewijs zou zijn en/of die [aangeefster 1] (meermalen) mishandeld (door haar met een pen te steken in de hand en/of te trappen en/of schoppen en/of slaan en/of stompen) en/of - die [aangeefster 1] mishandeld als zij niet wilde gaan werken en/of wanneer zij haar verdiende geld niet aan verdachte af wilde staan en/of - (aldus) bepaald wanneer en/of hoe lang die [aangeefster 1] moest werken en/of - tegen die [aangeefster 1] gezegd dat hij haar in de prostitutie verdiende geld voor haar zou sparen en/of bewaren en/of een (kappers)zaak voor haar/hen zou openen en/of - die [aangeefster 1] geïsoleerd en/of verhinderd dat zij contact met familie en/of vrienden zou hebben en/of - die [aangeefster 1] (meermalen) gedurende een werkdag gevraagd hoeveel zij had verdiend en/of - die [aangeefster 1] gedwongen althans bewogen lange dagen te werken in de prostitutie en/of - die [aangeefster 1] (aldus) gedwongen, althans bewogen (een groot deel van) haar met de prostitutie verdiende geld aan hem af te staan; 2:hij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 februari 2014 tot en met 31 maart 2015 te Amsterdam en/of 's-Gravenhage en/of IJsselstein en/of elders in Nederland en/of Antwerpen te België A) een ander of anderen, te weten [aangeefster 2], (telkens) door dwang, geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) of door dreiging met geweld of (een) andere feitlijkhe(i)d(en), en door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie, - heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [aangeefster 2] (sub 1°) en/of - heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die omstandighe(i)d(en) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [aangeefster 2] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard (sub 4°) en/of - heeft gedwongen dan wel bewogen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van haar, [aangeefster 2], seksuele handelingen met en/of voor een derde (sub 9°) en/of B)(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van die/een ander of anderen, te weten naam [aangeefster 2], (sub 6°), immers heeft verdachte: - een (liefdes)relatie met die [aangeefster 2] gehad en/of - misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van die [aangeefster 2] (door het recente overlijden van haar voormalige vriend) en/of - die [aangeefster 2] overgehaald in Antwerpen te gaan werken als prostituee en/of - een deel van de huur van een prostitutiekamer en/of een hotelkamer in Antwerpen betaald en/of - die [aangeefster 2] naar het werk gebracht en/of na het werk opgehaald en/of haar door bekenden van hem, verdachte, laten brengen en/of ophalen en/of - die [aangeefster 2] (meermalen) heeft mishandeld (door haar te slaan en/of stompen en/of trappen en/of schoppen en/of duwen en/of in haar keel te knijpen en/of van de galerij naar beneden te duwen) en/of - die [aangeefster 2] (meermalen) mishandeld als zij niet wilde gaan werken en/of wanneer zij haar verdiende geld niet aan verdachte af wilde staan en/of - (aldus) bepaald wanneer en/of hoe lang die [aangeefster 2] moest werken en/of - die [aangeefster 2] bedreigd met een (vuur)wapen en/of tegen die [aangeefster 2] gezegd "nu is het einde voor jou" en/of - die [aangeefster 2] geïsoleerd en/of verhinderd dat zij contact met familie en/of vrienden zou hebben en/of - tegen die [aangeefster 2] gezegd dat hij het geld dat zij in de prostitutie verdiende voor haar zou bewaren en/of sparen en/of een (spraytan)zaak voor haar/hen zou openen en/of - wanneer die [aangeefster 2] zei dat ze wilde stoppen met het werken gezegd dat zij door moest werken en/of dat hij een (spraytan)zaak voor haar/hen zou openen en/of - die [aangeefster 2] (meermalen) gedurende een werkdag gevraagd hoeveel zij had verdiend en/of - die [aangeefster 2] (aldus) gedwongen, althans bewogen, (een groot deel) van haar met de prostitutie verdiende geld van hem af te staan en/of dat geld van die [aangeefster 2] afgepakt. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Nadere bewijsoverweging en bespreking van de verweren Verweer inzake de betrouwbaarheid van de aangeefsters Standpunt van de verdediging De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep - overeenkomstig zijn overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnotities – betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem onder 1 en 2 ten laste gelegde. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van aangeefsters [aangeefster 1] en [aangeefster 2] onbetrouwbaar zijn, nu hun verklaringen op diverse wezenlijke punten strijdig zijn met andere bewijsmiddelen en er bovendien geen bewijs in het dossier aanwezig is dat hun verklaringen voldoende ondersteunt. Beoordeling door het hof Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Het hof stelt vast dat de aangeefsters [aangeefster 1] en [aangeefster 2] meermalen zijn gehoord bij de politie en één keer bij de rechter-commissaris. Het hof deelt in zijn algemeenheid de opvatting van de raadsman dat verklaringen die bij de rechter-commissaris na een zekere tijd worden afgelegd met enige behoedzaamheid dienen te worden beoordeeld. Het tijdsverloop, het mogelijk kennisnemen van processtukken, een mogelijke beïnvloeding van het geheugen door kennis met anderen te delen of zelfs een mogelijke onderlinge afstemming van verklaringen door getuigen zijn aandachtspunten bij de uitleg en waardering van deze verklaringen. De raadsman van de verdachte heeft aan zijn verweer ten aanzien van de betrouwbaarheid van [aangeefster 1] ten grondslag gelegd dat [aangeefster 1] het dossier heeft gelezen voorafgaande aan in ieder geval het afleggen van haar tweede verklaring bij de politie en dat er meerdere motieven kunnen zijn om belastend te verklaren (wraak en de mogelijkheid van het vorderen van een schadevergoeding). Voorts heeft hij op enkele inconsistenties in de verklaringen gewezen. Met de raadsman constateert ook het hof enkele inconsistenties in de verschillende verklaringen van de aangeefsters, echter niet in die mate dat deze verklaringen (volledig) terzijde moeten worden gesteld. De aangeefsters hebben in de kern met betrekking tot zowel de mishandelingen door de verdachte als ten aanzien van het afstaan van het in de prostitutie verdiende geld aan hem, vanaf het moment dat zij bij de politie zijn gehoord, consistent verklaard. De verklaringen van de aangeefsters ondersteunen elkaar bovendien in dit opzicht niet alleen over en weer, maar deze verklaringen vinden ook verankering in de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] (m.b.t. [aangeefster 1]), [getuige 3] en [getuige 4] (m.b.t. beiden) alsmede in een afgeluisterd telefoongesprek van 15 december 2013 waarin de verdachte zich met het door [aangeefster 1] in de prostitutie verdiende geld bemoeit, een en ander zoals opgenomen in de bewijsmiddelenbijlage. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de door de raadsman gestelde omstandigheden in dit geval hebben geleid tot onbetrouwbare verklaringen. Ook overigens zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan aan de juistheid van de verklaringen van aangeefsters moet worden getwijfeld. Het verweer wordt verworpen. Verweer inzake het verbod van art. 342, tweede lid, Sv Standpunt van de verdediging De raadsman van de verdachte heeft – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat het dossier bijzonder zwaar leunt op de enkele stellingen van de aangeefsters. Hij heeft hierbij gewezen op het ontbreken van steunbewijs van voldoende gewicht – immers overgebrachte verklaringen uit dezelfde bron gelden niet als zodanig – en daarom dient in de visie van de verdediging vrijspraak te volgen, gelet op het bepaalde in artikel 342, tweede lid, Sv. Beoordeling door het hof Het hof overweegt hiertoe als volgt. Het hof verwerpt dit verweer. Het hof wijst daarbij ten aanzien van de bevoordeling van de verdachte op de hiervoor reeds genoemde verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 2] alsmede het afgeluisterde telefoongesprek van 15 december 2013 waaruit volgt dat de verdachte zich met het prostitutiegeld van [aangeefster 1] bemoeide. Voorts wijst het hof op de bewijsmiddelen ten aanzien van de mishandelingen, welke bewijsmiddelen staan vermeld in het onherroepelijke deel van het bestreden vonnis. Het betreffen de verklaringen van [getuige 4], [getuige 3], [getuige 2] en [getuige 5] en het proces-verbaal medische gegevens met betrekking tot [aangeefster 1]. Daar komt bij dat de verklaringen van de aangeefsters ook op dit punt elkaar onderling steunen en daarmee versterken. Het hof is van oordeel dat het steunbewijs in samenhang met de op belangrijke onderdelen de verdachte belastende verklaringen van de aangeefsters van voldoende gewicht zijn om een bewezenverklaring van de mensenhandel te kunnen dragen. Beiden verklaren dat de verdachte een relatie met hen was aangegaan; beiden verklaren over het agressieve en gewelddadige gedrag van de verdachte; beiden verklaren dat een groot deel van het met de prostitutie verdiende geld onvrijwillig werd afgestaan aan de verdachte en beiden verklaren dat de verdachte hen het opzetten van een onderneming voorspiegelde. Voorts heeft [aangeefster 2] ook over [aangeefster 1] verklaard en andersom. De kwetsbare positie waarin aangeefster [aangeefster 1] zich bevond, vindt voorts steun in de eigen verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep. Deze verklaring komt er kort gezegd op neer dat de verdachte wist dat [aangeefster 1] ernstig bedreigd werd door haar pooier toen hij haar leerde kennen en banden met haar aanknoopte. De slotsom is, dat er ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde (behoudens de onderdelen waarvan de verdachte door het hof wordt vrijgesproken) voldoende wettig bewijs is, zoals opgenomen in de bewijsmiddelenbijlage. Het door de raadsman gestelde beletsel zoals neergelegd in art. 342, tweede lid, Sv doet zich derhalve niet voor. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert op: Mensenhandel, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich - gedurende een periode van meer dan één jaar - schuldig gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van twee vrouwen. Hij is een relatie met beide vrouwen aangegaan waarbij hij heeft voorgewend dat zij voor een (gezamenlijke) onderneming spaarden met het door de vrouwen verdiende geld. Hij schuwde door zijn zucht naar geldelijk gewin geen geweld. Bij slachtoffer [aangeefster 1] heeft de verdachte ook misbruik gemaakt van haar kwetsbare positie. Op het moment dat zij in contact met de verdachte kwam, werd zij ernstig bedreigd door haar vorige pooier. De verdachte heeft haar geen hulp geboden maar haar daarentegen misbruikt voor geldelijk gewin. Slachtoffers van dergelijke misdrijven kunnen daarvan doorgaans nog lange tijd psychische gevolgen ondervinden. Dat dit ook in de onderhavige zaak het geval is, kan uit de door de aangeefsters opgestelde schriftelijke slachtofferverklaringen worden opgemaakt. Het hof rekent de verdachte dit ernstig aan. Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 mei 2018, waaruit blijkt dat de verdachte vanaf zijn jeugd meerdere keren onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van misdrijven. Van enige positieve gedragsverandering ten gevolge van gerechtelijke bestraffingen lijkt geen sprake te zijn. Het hof acht het aangewezen om de maatschappij tegen het criminele gedrag van de verdachte te beschermen. Een langdurige gevangenisstraf ligt daarom in de rede. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. De vordering tot gevangenneming zal worden afgewezen, nu het hof daartoe geen termen ziet. Vordering tot schadevergoeding [aangeefster 1] In het onderhavige strafproces heeft [aangeefster 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde tot een bedrag van € 236.100,-. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in hoger beroep gehandhaafde bedrag. De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft daartoe ter terechtzitting in hoger beroep - overeenkomstig haar overgelegde en in het dossier gevoegde schriftelijke toelichting vordering benadeelde partij - een materiële schadevergoeding gevorderd van: primair een bedrag van € 221.100,-, subsidiair een bedrag van € 104.997,93, meer subsidiair een bedrag van € 83.552,- en meest subsidiair een bedrag van € 80.400,-. Voorts heeft zij een immateriële schadevergoeding gevorderd van € 15.000,-. De advocaat-generaal heeft met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist. Bevoegdheid van de raadsvrouw van de benadeelde partij De raadsman van de verdachte heeft allereerst aangevoerd dat mr. Wellen niet is gemachtigd tot het indienen van de vordering en dat de vordering daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De raadsvrouw van het slachtoffer, mr. Wellen, heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard uitdrukkelijk gevolmachtigd te zijn en dat zij dat ook in eerste aanleg was. In het dossier bevindt zich een voegingsformulier als bedoeld in artikel 51g, eerste lid, Sv. Vast staat dat de machtiging van mr. Wellen die op het voegingsformulier onder 2 staat vermeld, niet is getekend door het slachtoffer. Anders dan de raadsman van de verdachte is het hof van oordeel dat dit in dit geval niet leidt tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering. Art. 51c, derde lid, Sv schrijft niet voor dat een bijzondere schriftelijke volmacht vereist is voor een advocaat die namens het slachtoffer optreedt ter terechtzitting. Voor een advocaat is voldoende dat deze verklaart daartoe uitdrukkelijk gemachtigd te zijn. Aangezien mr. Wellen op het tableau onder nummer A07349 staat ingeschreven als advocaat en gelet op het feit dat een advocaat ook zonder voegingsformulier een vordering mondeling ter terechtzitting kan indienen (artikel 51g, derde lid, Sv), is het hof van oordeel dat aan haar – nu zij heeft verklaard zowel in eerste aanleg als ter terechtzitting in hoger beroep uitdrukkelijk gevolmachtigd te zijn en nu zij in beide instanties de opgave mondeling aan de orde heeft gesteld en toegelicht – niet kan worden tegengeworpen dat de handtekening van het slachtoffer op het voegingsformulier ontbreekt waardoor de vordering niet-ontvankelijk is. Het hof ziet dan ook geen aanleiding (en acht dat ook disproportioneel ten opzichte van het belang van de voortgang van de zaak) om het onderzoek te heropenen teneinde de benadeelde partij alsnog in de gelegenheid te stellen om de machtiging op het formulier te ondertekenen en verwerpt het verweer. De benadeelde partij [aangeefster 1] is ontvankelijk in haar vordering. Materiële schade Ten aanzien van de materiële schade overweegt het hof dat, nu een deugdelijke financiële administratie ontbreekt, het hof de omzet moet schatten en derhalve ook een schatting moet maken van het schadebedrag. Het dossier biedt wel concrete aanknopingspunten voor de gewerkte dagen door de benadeelde partij tijdens de bewezenverklaarde periode. Voor de gemiddelde omzet wordt een in de rechtspraak inmiddels gangbaar forfaitair bedrag van € 200,- per dag gerekend. Het dossier biedt geen aanknopingspunten om daarvan af te wijken. De kosten zijn betwist voor zover zij een bedrag van € 1.000,- per maand zouden overstijgen. Het hof heeft dat bedrag aan kosten als uitgangspunt genomen nu er aanknopingspunten zijn dat inderdaad allerlei kosten, waaronder de huur van het woonhuis, uit de omzet werden betaald. In het voordeel van de verdachte heeft het hof de maanden december 2013 en januari 2014 in de berekening buiten beschouwing gelaten, omdat [aangeefster 1] heeft verklaard dat het afdragen van geld in het begin geleidelijk verliep. In het begin zag ze het geld nog wel, maar dat werd steeds minder (zie proces-verbaal van verhoor aangeefster [aangeefster 1] (p. 5 e.v.,i.h.b. p. 9)). Omdat volstrekt onduidelijk is hoeveel geld er in die beginperiode is afgedragen, levert de behandeling van dit onderdeel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding op en wordt de benadeelde partij op dit onderdeel niet-ontvankelijk verklaard Het hof komt tot de volgende berekening: Berekening over de periode 1 februari 2014 tot en met 28 februari 2015: maand: dagen gewerkt: februari 2014 12 maart 2014 17 april 2014 23 mei 2014 19 juni 2014 17 juli 2014 8 augustus 2014 4 september 2014 10 oktober 2014 26 november 2014 16 december 2014 23 januari 2015 24 februari 2015 21 ------------ Totaal: 220 dagen 220 x € 200,- (=forfaitair bedrag) = € 44.000,- -/- levensonderhoud 13 maanden x € 1.000,- (=forfaitair bedrag) = € 13.000,- ----------- Totaal materiële schadevergoeding = € 31.000,- Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof (nu deze niet zijn gevorderd) vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster 1] Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 36.000,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster 1]. Vordering tot schadevergoeding [aangeefster 2] In het onderhavige strafproces heeft [aangeefster 2] zich als benadeelde partij gevoegd en oorspronkelijk een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 94.694,72. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in hoger beroep gehandhaafde bedrag. De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft daartoe ter terechtzitting in hoger beroep - overeenkomstig haar overgelegde en in het dossier gevoegde schriftelijke toelichting vordering benadeelde partij – een materiële schadevergoeding gevorderd van € 74.694,72 en een immateriële schadevergoeding van € 20.000,-. De advocaat-generaal heeft met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist. Bevoegdheid van de raadsvrouw van de benadeelde partij Allereerst heeft de raadsman van de verdachte zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk is omdat de machtiging op het voegingsformulier niet is getekend door het slachtoffer. Het hof stelt vast dat ook met betrekking tot deze vordering de machtiging niet is ondertekend en dat mr. Sent (ingeschreven als advocaat op het tableau onder nummer A30070) op de terechtzitting heeft verklaard zowel in eerste aanleg als in hoger beroep uitdrukkelijk gevolmachtigd te zijn. In beide instanties heeft zij de vordering ter terechtzitting uiteengezet en toegelicht. Het hof gaat om dezelfde redenen als overwogen ten aanzien van de benadeelde partij [aangeefster 1], voorbij aan het verweer en acht de benadeelde partij ontvankelijk in haar vordering. Materiele schade Ten aanzien van de materiële schade overweegt het hof dat, nu een deugdelijke financiële administratie ontbreekt, het hof de omzet moet schatten en derhalve ook een schatting moet maken van het schadebedrag. Het dossier biedt wel concrete aanknopingspunten voor de gewerkte dagen. Voor de gemiddelde omzet wordt een in de rechtspraak inmiddels gangbaar forfaitair bedrag van € 200,- per dag gerekend. Het dossier biedt geen aanknopingspunten om daarvan af te wijken. De kosten zijn betwist voor zover zij een bedrag van € 1.000,- per maand zouden overstijgen. Het hof heeft dat bedrag aan kosten als uitgangspunt genomen nu er aanknopingspunten zijn dat er inderdaad allerlei kosten, waaronder de huur van het woonhuis, uit de omzet werden betaald. [aangeefster 2] heeft verklaard dat zij vanaf maart 2014 het door haar verdiende geld in de prostitutie niet meer terug kreeg van de verdachte (zie proces-verbaal van verhoor aangeefster [aangeefster 2] (p. 34 e.v., i.h.b. p. 35)). Periode: 1 maart 2014 tot en met 31 januari 2015 maand: dagen gewerkt: ([adres] te Den Haag) maart 2014 3 mei 2014 3 ([adres] te Amsterdam) maart 2014 20 april 2014 23 mei 2014 14 juni 2014 20 juli 2014 24 augustus 2014 17 september 2014 7 oktober 2014 18 november 2014 25 december 2014 25 januari 2015 28 ------------ Totaal: 227 dagen 227 x € 200,- (=forfaitair bedrag) = € 45.400,- -/- levensonderhoud 13 maanden x € 1.000,- (= forfaitair bedrag) = € 13.000,- -/- aanschaf auto à € 7.500,- = € 7.500,- ----------- Totaal: € 24.900,- Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof (nu deze niet zijn gevorderd) vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster 2] Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 29.900,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster 2]. Vordering tot tenuitvoerlegging Het Openbaar Ministerie zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf, omdat het hof – met de rechtbank, de verdediging en het Openbaar Ministerie – heeft vastgesteld dat de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 16 februari 2015 voorwaardelijk opgelegde straf op 7 december 2015 onherroepelijk is geworden. Dit is na de pleegperiode van de aan de verdachte verweten feiten zoals deze tenlastegelegd zijn. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 63 en 273f van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis voor zover thans nog aan de orde en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 44 (vierenveertig) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de benadeelde partij [aangeefster 1] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 36.000,- (zesendertigduizend euro) bestaande uit € 31.000,- (eenendertigduizend euro) materiële schade en € 5.000,- (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangeefster 1], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 36.000,- (zesendertigduizend euro) bestaande uit € 31.000,- (eenendertigduizend euro) materiële schade en € 5.000,- (vijfduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 197 (honderdzevenennegentig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 1 februari 2014. Vordering van de benadeelde partij [aangeefster 2] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster 2] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 29.900,- (negenentwintigduizend negenhonderd euro) bestaande uit € 24.900,- (vierentwintigduizend negenhonderd euro) materiële schade en € 5.000,- (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangeefster 2], ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 29.900,- (negenentwintigduizend negenhonderd euro) bestaande uit € 24.900,- (vierentwintigduizend negenhonderd euro) materiële schade en € 5.000,- (vijfduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 168 (honderdachtenzestig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 1 maart 2014. Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tenuitvoerlegging, met parketnummer 16-145668-13. Wijst af de vordering tot het verlenen van een bevel tot gevangenneming van de verdachte. Dit arrest is gewezen door mr. S.A.J. van 't Hul, mr. M.I. Veldt-Foglia en mr. R.J. de Bruijn, in bijzijn van de griffier mr. C.M.A. Ellens-Veenhof. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 27 juni 2018.
ECLI:NL:HR:2020:1009
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 18/02984 Datum 9 juni 2020 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 juni 2018, nummer 22/003476-17, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988, hierna: de verdachte.
ECLI:NL:HR:2008:BD2578
De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Hertogenbosch, van 15 juni 2005 - de verdachte ter zake van "gijzeling, meermalen gepleegd" veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummer: 09/767189-16 Datum uitspraak: 26 augustus 2020 Vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht Beslissing van de rechtbank Den Haag, rechtdoende in strafzaken, op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1988 te Amersfoort, [adres] .

1Het onderzoek ter zitting

De vordering is aan de orde geweest op de terechtzitting van 19 juli 2017. Hierna heeft een schriftelijke conclusiewisseling plaatsgevonden tussen de officier van justitie, mr. F.A. Kuipers, en de raadsman van de veroordeelde, mr. M. Berndsen. De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken: - het rapport ‘berekening wederrechtelijk voordeel per delict’ van 28 maart 2017; - de conclusie van antwoord van 17 augustus 2017; - de conclusie van repliek van de officier van justitie van 25 januari 2019; - de conclusie van dupliek van de raadsman van 8 maart 2019; - het arrest van het Gerechtshof Den Haag in de onderliggende strafzaak tegen veroordeelde van 27 juni 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1690; - het arrest van de Hoge Raad in voornoemde strafzaak van 9 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1009.

De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 12 augustus 2020. De veroordeelde is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen. Namens de veroordeelde is op de terechtzitting verschenen zijn raadsman, mr. M. Berndsen, die op de vordering is gehoord en daartegen verweer heeft gevoerd. 2De vordering 2.1 Het standpunt van de officier van justitie De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt ertoe dat de rechtbank het geldbedrag vaststelt waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 155.995,00.

Ter terechtzitting van 12 augustus 2020 heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd en gevorderd dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 164.203,25. De officier van justitie heeft zich daarbij gebaseerd op voornoemd arrest van het Gerechtshof, waarin de veroordeelde, kort gezegd, is veroordeeld voor mensenhandel jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd door hen te dwingen geld af te staan dat zij in de prostitutie verdienden, en op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het rapport) van 28 maart 2017.

De officier van justitie heeft in haar requisitoir het volgende gesteld. Het verkregen voordeel uit de prostitutie van het slachtoffer [slachtoffer 1] Het Gerechtshof heeft als pleegperiode van 12 december 2013 tot en met 31 maart 2015 bewezen verklaard, maar bij het berekenen van de materiële schade de maanden december 2013 en januari 2014 buiten beschouwing gelaten, nu [slachtoffer 1] in het begin haar geld nog mocht houden. Hiermee rekening houdend dient er volgens het Gerechtshof te worden uitgegaan van in totaal 220 dagen of dagdelen. Met betrekking tot de bruto verdiensten wordt aangesloten bij het rapport, waarin wordt uitgegaan van een bruto inkomen van € 500,00 per dag.

Hiermee komen de verdiensten en het bruto wederrechtelijk verkregen voordeel op € 110.000,00 (€ 500,00 x 220). De kosten van de kamerhuur (€ 22.000,00), vervoer en eten overdag (€ 4.400,00) en hulpmiddelen en hygiëneproducten (€ 2.200,00) moeten van het bruto wederrechtelijk voordeel worden afgetrokken. Dit maakt dat het netto wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld dient te worden op € 81.400,00 (€ 110.000,00 - € 22.000,00 - € 4.400,00 - € 2.200,00). De kosten van de woning zijn geen kosten die in mindering strekken op het wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat ze geen rechtstreeks verband houden met het strafbare feit: de veroordeelde zou die kosten ook gemaakt hebben als hij dat niet had gepleegd.

Het verkregen voordeel uit de prostitutie van het slachtoffer [slachtoffer 2] Het Gerechtshof heeft als pleegperiode van 1 februari 2014 tot en met 31 maart 2015 bewezen verklaard, maar bij het berekenen van de materiële schade de maanden februari 2014, februari 2015 en maart 2015 buiten beschouwing gelaten. Hiermee rekening houdend dient er te worden uitgegaan van in totaal 224 dagen of dagdelen. Met betrekking tot de bruto verdiensten wordt aangesloten bij de verklaringen van [slachtoffer 2] en wordt het inkomen geschat op € 600,00 per dag.

Hiermee komen de verdiensten en daarmee het bruto wederrechtelijk verkregen voordeel op € 134.400,00 (€ 600,00 x 224). De kosten van de kamerhuur (€ 26.240,00), vervoer (€ 11.200,00), van hygiëneproducten, hulpmiddelen en eten (€ 4.480,00), van de aankoop van een auto voor het slachtoffer (€ 7.895,00) en een vakantie naar Egypte (€ 1.781,75) moeten van het bruto wederrechtelijk voordeel worden afgetrokken. Dit maakt dat het netto wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld dient te worden op € 82.803,25 (€ 134.400,00 - € 26.240,00 - € 11.200,00 - € 4.480,00 - € 7.895,00 - € 1.781,75).

De kosten voor de woning van [slachtoffer 2] kunnen niet in mindering strekken op het wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat [slachtoffer 2] deze voldeed uit haar uitkering. Dit geldt ook voor de kosten van haar levensonderhoud. Het is daarmee aannemelijk dat zij haar gehele verdiende geld aan hem afdroeg, behoudens de hiervoor genoemde bedragen. Het totaal geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel komt daarmee op € 164.203,25 (€ 81.400,00 + € 82.803,25). 2.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman van de veroordeelde heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel maximaal kan worden geschat op € 29.320,00.

Daartoe is het volgende aangevoerd. Het verkregen voordeel uit de prostitutie van het slachtoffer [slachtoffer 1] Er dient, net als het Gerechtshof in zijn arrest bij de beoordeling van de vordering benadeelde partij heeft gedaan, te worden uitgegaan van een netto forfaitair bedrag van € 200,00 per dag. Voorts dient te worden uitgegaan van in totaal 224 dagen of dagdelen. Hiermee komen de verdiensten en het netto wederrechtelijk verkregen voordeel op € 44.800,00 (€ 200,00 x 224). De in verband met het strafbare feit gemaakte kosten zoals vastgesteld door het Gerechtshof worden geschat op € 1.000,00 per maand.

De kosten komen daarmee op een totaal van € 13.000 (13 x € 1.000,00). Dit betekent dat het netto inkomen vastgesteld dient te worden op € 31.800,00 (€ 44.800,00 - € 13.000,00). Het is redelijk te veronderstellen dat niet meer dan 50% van de netto opbrengst als wederrechtelijk verkregen voordeel is doorgevloeid naar cliënt. Dit maakt dat het netto wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld dient te worden op € 15.900,00 (€ 31.800,00 x 0.50). Het verkregen voordeel uit de prostitutie van het slachtoffer [slachtoffer 2] Er dient ook hier, net als het Gerechtshof in zijn arrest bij de beoordeling van de vordering benadeelde partij heeft gedaan, te worden uitgegaan van een netto forfaitair bedrag van € 200,00 per dag.

Voorts dient er worden uitgegaan van in totaal 238 dagen of dagdelen in Den Haag en Amsterdam. Hiermee komen de verdiensten en dus het netto wederrechtelijk verkregen voordeel op € 47.600,00 (€ 200,00 x 238). Voor de werkzaamheden in Antwerpen dient te worden uitgegaan van 7 dagen of dagdelen. De netto opbrengsten uit Antwerpen worden geschat op € 1.500,00. De kosten worden door het Gerechtshof geschat op € 1.000,00 per maand en komen daarmee op een totaal van € 13.000,00 (13 x € 1.000,00). Hier komt bij de aanschaf van de auto van € 7.500,00, een vakantie naar Egypte van € 3.500,00 en de kosten van hotelverblijf in Antwerpen van € 400,00.

Dit maakt dat het netto inkomen vastgesteld dient te worden op € 24.400,00 (€ 47.600,00 + € 1.500,00 - € 13.000 - € 7.500,00 - € 3.500,00 - € 400,00). Het is redelijk te veronderstellen dat niet meer dan 55% van de netto opbrengst als wederrechtelijk verkregen voordeel is doorgevloeid naar cliënt. Dit maakt dat het netto wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld dient te worden op € 13.420,00 (€ 24.400,00 x 0.55). Verder heeft de raadsman aangevoerd dat zijn cliënt tijdens de bewezen verklaarde periode voortdurend financiële problemen had en uit zijn levensstijl bleek dat hij het niet breed had.

Dit vormt een belangrijke indicatie voor het feit dat er maar een (klein) deel van de verdiensten naar hem is doorgevloeid. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de rechtbank rekening dient te houden met de door het Gerechtshof reeds toegewezen vorderingen benadeelde partij en dat de rechtbank het ontnemingsbedrag dient te verminderen met 5% dan wel 10% vanwege overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen op de ontnemingsvordering moet worden beslist. 3Beoordeling van de vordering 3.1 De grondslag van de vordering De veroordeelde is bij arrest van het Gerechtshof van 27 juni 2018 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 44 maanden met aftrek van voorarrest ter zake van mensenhandel, meermalen gepleegd.

De Hoge Raad heeft dit arrest weliswaar vernietigd, maar dat betrof slechts twee, voor de ontneming niet relevante punten; zo is de duur van de opgelegde gevangenisstraf in verband met het overschrijden van de redelijke termijn met twee maanden teruggebracht. Voor het overige is het arrest van het hof in stand gelaten. De grondslag voor de ontnemingsvordering is dus een veroordeling voor een strafbaar feit. Voor de ontnemingsvordering betekent dit dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig van de strafbare feiten die de veroordeelde heeft begaan. 3.2 Schatting wederrechtelijk verkregen voordeel De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de veroordeelde voordeel heeft genoten uit de baten van de bewezen verklaarde feiten (artikel 36e lid 1 Sr).

De rechtbank leidt uit haar dossier de navolgende feiten en omstandigheden af die redengevend zijn voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. 3.2.1. Slachtoffer [slachtoffer 1] 3.2.1.1. Bruto wederrechtelijk verkregen voordeel Ten aanzien van het bruto wederrechtelijk verkregen voordeel stelt de rechtbank vast dat het Gerechtshof bij de beoordeling van de omvang van de materiële schade in het kader van de vordering benadeelde partij een periode van 220 dagdelen heeft gehanteerd, te weten van februari 2014 tot en met februari 2015.

De rechtbank ziet geen aanleiding hiervan af te wijken, nu dit oordeel voortvloeit uit informatie in het strafdossier. Verder heeft het Gerechtshof ten aanzien van de materiële schade de omzet en de kosten en daarmee het schadebedrag geschat, omdat een deugdelijke financiële administratie ontbreekt. Voor de gemiddelde omzet is een in de rechtspraak inmiddels gangbaar forfaitair bedrag van € 200,00 per dag gerekend. Het Gerechtshof heeft overwogen dat het dossier geen aanknopingspunten bied om daarvan af te wijken. De rechtbank acht zich in het kader van de nu voorliggende ontnemingsprocedure niet gebonden aan dit oordeel van het Gerechtshof in de hoofdzaak.

Zij overweegt daartoe als volgt. De rechtbank stelt vast dat de ontnemingsrechter volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad gebonden is aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak, voor zover dat betrekking heeft op een verweer dat in de hoofdzaak is gevoerd. De ontnemingsrechter komt echter een zelfstandig oordeel toe met betrekking tot alle verweren die gaan over de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat. De rechtbank onderscheidt in deze zaak de civiele procedure (de vordering benadeelde partij) van de strafrechtelijke procedure (de ontnemingsmaatregel).

Met de mogelijkheid tot het instellen van een vordering door benadeelde partijen heeft de wetgever beoogd binnen het strafproces te voorzien in – kort gezegd – een eenvoudige en laagdrempelige procedure die ertoe leidt dat personen die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit zoveel mogelijk schadeloos worden gesteld. Op die procedure is het civiele recht van toepassing. Het initiatief tot bewijslevering ligt bij de partijen zelf, in die zin dat zij het bewijsmateriaal aandragen. De rechter waardeert het bewijs, hetgeen wil zeggen dat hij beoordeelt in hoeverre het bewijs overtuigend is.

De ontnemingsmaatregel is daarentegen volledig gericht op herstel van de rechtmatige toestand in financiële zin en betreft een strafrechtelijke maatregel. De ontnemingsprocedure staat in het teken van de vraag of er wederrechtelijk voordeel is verkregen en wat de omvang daarvan is. De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij zo’n € 500,00 tot € 600,00 per dag verdiende en consistent is geweest in haar verklaringen hierover. De rechtbank kiest er derhalve voor om wat betreft de bruto inkomsten aansluiting te zoeken bij de verklaring van het slachtoffer en bij het bedrag zoals vastgesteld in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel, te weten € 500,00.

Op grond daarvan schat de rechtbank de verdiensten op € 110.000,00 (220 dagen x € 500,00). 3.2.1.3. Afdracht geld aan veroordeelde De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat uit diverse omstandigheden blijkt dat [slachtoffer 1] niet gedurende de hele bewezen verklaarde periode al haar inkomen afstond en dat derhalve maar een percentage ervan (50%) als wederrechtelijk voordeel is doorgevloeid naar de veroordeelde. De rechtbank stelt vast dat het Gerechtshof de periode van 12 december 2013 tot en met 31 maart 2015 bewezen heeft verklaard.

Bij de berekening van de materiële schade door het Gerechtshof en bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel door de rechtbank is rekening gehouden met de verklaringen van [slachtoffer 1] over periode waarin zij al haar geld afstond, namelijk van februari 2014 tot en met februari 2015. Deze periode is wezenlijk korter dan de bewezen verklaarde periode en doet recht aan de omstandigheden van het geval en aan de verklaring van [slachtoffer 1] dat zij aan het begin haar geld nog wel zag, maar dat dit steeds minder werd. De rechtbank ziet in het dossier geen andere aanknopingspunten die zouden moeten maken dat vanaf februari 2014 niet al het geld doorvloeide naar de veroordeelde.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer. 3.2.1.4. Kosten Ten aanzien van de kosten voor kamerhuur Ten aanzien van de kosten voor kamerhuur stelt de rechtbank vast dat de beheerder van het raamprostitutiepand in de Geleenstraat waar het slachtoffer werkte, heeft verklaard dat de huur voor een dag € 100,00 bedraagt. Op grond daarvan schat de rechtbank de kosten voor de kamerhuur op € 22.000,00 (220 dagen x € 100,00). Ten aanzien van de kosten voor vervoer en eten Ten aanzien van het vervoer stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij door de veroordeelde naar haar werk werd gebracht en ook altijd weer werd opgehaald.

Verder heeft zij verklaard dat ze voor eten en benzine € 20,00 per dag van de veroordeelde kreeg. Dit bedrag komt de rechtbank redelijk voor. Op grond daarvan schat de rechtbank de kosten voor de vervoer en eten op € 4.400,00 (220 dagen x € 20,00). Ten aanzien van de overige kostenposten Het rapport gaat uit van een percentage van 5,4% van de bruto omzet voor administratiekosten, vervoer, telefoonkosten, hulpmiddelen, kleding, hygiëne, uiterlijk, linnengoed en algemene kosten. Het hiervoor besproken bedrag voor vervoer en eten is 4% van de bruto omzet.

Conform het standpunt van de officier van justitie zal de rechtbank in het voordeel van de veroordeelde 2% van de bruto omzet berekenen voor de overige kosten zoals hulpmiddelen en hygiëneproducten. Op grond daarvan schat de rechtbank de kosten voor de overige kostenposten op € 2.200,00 (220 dagen x € 10,00). Ten aanzien van de kosten voor levensonderhoud Ten aanzien van de huisvestingskosten stelt de rechtbank vast dat kosten alleen aftrekbaar zijn als deze in rechtstreeks verband staan met het strafbare feit. Uit de verklaring van [slachtoffer 1] blijkt dat zij en de veroordeelde al na een week samenwoonden.

De kosten die de veroordeelde voor levensonderhoud heeft gemaakt komen naar het oordeel van de rechtbank niet voor aftrek in aanmerking omdat deze kosten niet in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. Bovendien is door [slachtoffer 1] verklaard dat de kosten van huisvesting werden voldaan uit de uitkering van veroordeelde. Ten aanzien van de vordering benadeelde partij van [slachtoffer 1] Wil een vordering van de benadeelde derde in mindering kunnen worden gebracht op het geschatte ontnemingsbedrag, dan dient de vordering reeds in rechte zijn toegekend.

Bij in ‘rechte toegekend zijn’ kan worden gedacht aan het geval dat een schadebedrag de benadeelde derde als gevoegde partij is toegekend of als de schadevergoedingsmaatregel van art. 36f is opgelegd. De rechtbank stelt vast dat de strafzaak tegen de veroordeelde met het arrest van de Hoge Raad van 9 juni 2020 onherroepelijk is geworden. De rechtbank zal derhalve de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] zoals toegewezen door het Gerechtshof ad € 31.000,00 in mindering brengen. Tussenconclusie van de rechtbank over de kosten De rechtbank komt tot het oordeel dat de totale kosten die van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen worden afgetrokken moeten worden geschat op € 59.600,00 (€ 22.000,00 + € 4.400,00 + € 2.200,00 + € 31.000). 3.2.1.5.

Wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van [slachtoffer 1] Het netto bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt daarmee geschat op € 50.400,00 (€ 110.000,00 - € 59.600,00). 3.2.2. Slachtoffer [slachtoffer 2] 3.2.2.1. Bruto wederrechtelijk verkregen voordeel De rechtbank stelt voorop dat zij de gewerkte dagen van [slachtoffer 2] in Antwerpen niet zal meerekenen, nu zij over de eerste periode in Antwerpen heeft verklaard dat ze pas na haar werkzaamheden in België haar geld moest afdragen en de tweede periode in Antwerpen buiten de bewezen verklaarde periode valt.

Ten aanzien van het bruto wederrechtelijk verkregen voordeel stelt de rechtbank vast dat het Gerechtshof bij het vaststellen van de materiële schade een periode van 227 dagdelen heeft gehanteerd, van maart 2014 tot en met januari 2015. De rechtbank zal echter, conform de berekening van de officier van justitie en in het voordeel van de veroordeelde, een periode van 224 dagen hanteren en overweegt in dit verband het volgende. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat ze vanaf maart 2014 haar geld niet meer terug kreeg. Het afstaan van geld duurde tot en met februari 2015.

Op 1 en 2 februari 2015 heeft zij laatstelijk een kamer gehuurd in Amsterdam. Dit betreft 238 gewerkte dagen, maar daarvan trekt de rechtbank 14 dagen af. [slachtoffer 2] heeft immers verklaard dat ze ongeveer 14 dagen wel een plek had gereserveerd maar niet heeft gewerkt wegens lichamelijke klachten of vakantie. Dit resulteert in 224 dagen. De rechtbank ziet ook hier – zoals onder 3.2.1.1 al ten aanzien van [slachtoffer 1] is overwogen – aanleiding om af te wijken van het door het Gerechtshof vastgestelde forfaitaire bedrag van € 200,00 per dag. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat ze zo’n € 400,00 netto per dag verdiende, soms zo’n € 500,00, en dat was na aftrek van de kamerhuur ad € 100.

Bij de rechter-commissaris heeft ze verklaard dat haar gemiddelde dagomzet zo’n € 450,00 tot € 500,00 was. Dit zou het bedrag zijn dat gemiddeld overbleef nadat de kosten waren betaald. De rechtbank zal derhalve de bruto inkomsten vaststellen op € 500,00 per dag. Op grond daarvan schat de rechtbank de verdiensten op € 112.000,00 (224 dagen x € 500,00). 3.2.2.2. Afdracht geld aan veroordeelde De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat uit diverse omstandigheden blijkt dat [slachtoffer 2] niet al haar netto inkomsten heeft afgestaan aan de veroordeelde en dat derhalve maar een percentage ervan (50%) kan worden gezien als wederrechtelijk voordeel dat naar hem is doorgevloeid.

De rechtbank stelt vast dat het Gerechtshof de periode van 1 februari 2014 tot en met 31 maart 2015 bewezen heeft verklaard. Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel door de rechtbank is rekening gehouden met de verklaringen van [slachtoffer 2] over de periode waarin zij haar geld afstond, namelijk van maart 2014 tot en met begin februari 2015. De rechtbank stelt echter vast dat [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij vanaf april 2014 tot en met 4 februari 2015 geld heeft afgestaan. Ook heeft zij verklaard dat de veroordeelde vast heeft gezeten vanaf begin mei tot halverwege de ramadan en dat ze in die periode niet alles heeft afgegeven.

De rechtbank stelt op grond van algemeen toegankelijke bronnen vast dat de ramadan in 2014 van 28 juni tot en met 28 juli duurde. Dit maakt dat [slachtoffer 2] gedurende een periode van begin mei tot half juli (76 dagen) minder geld heeft afgestaan. Dit leidt ertoe dat de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel gedurende die periode zal verminderen met 50%. Dit maakt dat de rechtbank over een periode van 148 dagen (224 – 76) 100% afdracht zal worden berekend (€ 500,00) en over een periode van 76 dagen 50% afdracht (€ 250,00). Op grond daarvan schat de rechtbank de verdiensten op € 93.000,00 (€ 74.000,00 + € 19.000,00) 3.2.2.3.

Kosten Ten aanzien van de kosten voor kamerhuur Ten aanzien de kamerhuur in Den Haag stelt de rechtbank vast dat de beheerder van het raamprostitutiepand in de Geleenstraat waar [slachtoffer 2] heeft gewerkt heeft verklaard dat de huur voor een dag € 100,00 is. Van Koert is in de periode van maart 2014 tot en met mei 2014 in totaal 14 dagen werkzaam geweest in Den Haag. Op grond daarvan schat de rechtbank de kosten voor de kamerhuur in Den Haag op € 1.400,00 (14 dagen x € 100,00). Ten aanzien van de kamerhuur in Amsterdam stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 2] daar in de periode van maart 2014 tot en met februari 2015 in totaal 223 dagen heeft gewerkt, waaronder twee avonden (in mei 2014).

De huur voor een dagdeel was € 110.00, voor een avond was dit € 150,00. Op grond daarvan schat de rechtbank de kosten voor de kamerhuur in Amsterdam op € 24.610,00 (221 dagen x € 110,00 + 2 avonden x € 150,00). De totale kamerhuur wordt hiermee geschat op € 26.010,00 (€ 1.400,00 + € 24.610,00). Ten aanzien van de kosten voor vervoer Ten aanzien van het vervoer stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij af en toe zelf met de auto naar Amsterdam ging. Ze betaalde dan € 50,00 aan parkeerkosten. Meestal werd ze door de veroordeelde gebracht.

Een bedrag van € 50 voor de vervoerskosten komt de rechtbank redelijk voor. Op grond daarvan schat de rechtbank de kosten voor vervoer op € 11.200,00 (€ 50,00 x 224 dagen). Ten aanzien van overige kostenposten en eten De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij € 20,00 per dag kreeg om hygiëneproducten en hulpmiddelen en eten en drinken van te kopen. Ze deed voor die € 20,00 zelf boodschappen. Dit bedrag komt de rechtbank redelijk voor. Op grond daarvan schat de rechtbank de overige kosten op € 4.480,00 (224 dagen x € 20,00).

Ten aanzien van levensonderhoud Ten aanzien van de huisvestingskosten stelt de rechtbank vast dat kosten alleen aftrekbaar zijn als deze in rechtstreeks verband staan met het strafbare feit. De kosten die veroordeelde hiervoor heeft gemaakt komen naar het oordeel van de rechtbank niet voor aftrek in aanmerking omdat deze kosten niet in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. Ten aanzien van de kosten voor aankoop auto De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 2] heeft verklaard dat ze een roze Volkswagen Golf kreeg van veroordeelde.

Uit het voegingsformulier benadeelde partij blijkt dat door [slachtoffer 2] een bedrag van € 7.500,00 in mindering is gebracht op de afgestane inkomsten in verband met de aanschaf van een roze Golf. Dit bedrag is door het Gerechtshof ook in mindering gebracht op de materiële schade. Ook blijkt uit de vordering benadeelde partij dat een bedrag van € 395,00 in mindering is gebracht in verband met de aanschaf van schoenen. Op grond daarvan schat de rechtbank de kosten voor de aanschaf van de auto en schoenen op € 7.895,00 (€ 7.500,00 + € 395,00) Ten aanzien van de vakantie in Egypte De rechtbank stelt ten aanzien van de vakantie in Egypte vast dat [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij in oktober 2015 met veroordeelde op vakantie is geweest.

Zij heeft hierover verklaard dat de vakantie € 1.563,50 kostte en dat ze € 2.000,00 meenamen. De vakantie is door haar betaald. De helft van de vakantie is dus aan de veroordeelde ten goede gekomen. De andere helft kan als aftrekpost worden afgetrokken. Op grond daarvan schat de rechtbank de kosten voor de vakantie in Egypte op € 1.781,75 (€ 3.563,50 / 2). Ten aanzien van de vordering benadeelde partij van [slachtoffer 2] Ook ten aanzien van [slachtoffer 2] is een vordering benadeelde partij onherroepelijk toegewezen. Dit betreft een bedrag van € 29.900,00, dat de rechtbank in mindering zal brengen.

Tussenconclusie van de rechtbank over de kosten De rechtbank komt tot het oordeel dat de totale kosten die van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen worden afgetrokken moeten worden geschat op € 81.266,75 (€ 26.010,00 + € 11.200,00 + € 4.480,00 + € 7.895,00 + € 1.781,75 + € 29.900,00) 3.2.2.3. Wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van [slachtoffer 2] Het netto bedrag voor het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt daarmee geschat op € 11.733,25 (€ 93.000,00 - € 81.266,75). 4Financiële omstandigheden veroordeelde De raadsman heeft bepleit dat zijn cliënt in de bewezen verklaarde periode voortdurend financiële problemen had.

Hij verwijst hierbij onder meer naar een getuigenverklaring van de moeder en de vrouw van zijn cliënt. Zo heeft de moeder verklaard dat zij in de periode eind 2013 tot en met begin 2015 kosten heeft moeten betalen voor haar zoon en dat er echt veel te weinig inkomsten waren. Ze zou veel voor haar zoon hebben moeten betalen. Ook zou haar zoon in die periode geen dure bezittingen hebben gehad. De echtgenote heeft verklaard dat als haar man zich op grote schaal verrijkt zou hebben, ze dit gemerkt zou moeten hebben. Qua financiën zouden ze afhankelijk zijn van de uitkering van haar man.

De broer van veroordeelde heeft verklaard nimmer geld te hebben gekregen van zijn broer. Tegenover deze verklaringen staan de verklaringen van de slachtoffers. Het Gerechtshof heeft eerder geoordeeld dat de verklaringen van de slachtoffers weliswaar enige inconsistenties bevatten, maar niet in die mate dat ze terzijde moeten worden geschoven. Ze hebben ten aanzien van het afstaan van het in de prostitutie verdiende geld aan veroordeelde, vanaf het moment dat zij bij de politie zijn gehoord, consistent verklaard. De verklaringen van de slachtoffers ondersteunen elkaar niet alleen over en weer, maar vinden ook verankering in de verklaringen van getuigen.

De verklaringen van de slachtoffers zijn dus voldoende betrouwbaar. Of dat ook geldt voor de verklaringen van de moeder, vrouw en broer van de veroordeelde staat nog te bezien en ook als zij van extra inkomstenbronnen niets gemerkt zouden hebben, betekent dat nog niet dat veroordeelde deze inkomsten niet heeft gehad. Ter onderbouwing hiervan verwijst de rechtbank naar het dossier waaruit een beeld van blowen, feestjes, dure kleding, dure auto’s en vakanties blijkt. Dit strookt naar het oordeel van de rechtbank niet met het gegeven dat de veroordeelde alleen over inkomsten uit een Wajong-uitkering zou beschikken.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. 5Korting in verband met overschrijding van de redelijke termijn De raadsman heeft bepleit dat de rechtbank het geschatte bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel vermindert met 5% dan wel 10%. De rechtbank overweegt als volgt. In ontnemingszaken kan op het recht op een beslissing op de ontnemingsvordering binnen een redelijke termijn inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt.

De rechtbank stelt vast dat de ontnemingsvordering in persoon aan de veroordeelde is betekend op 26 juni 2017. De redelijke termijn is op dat moment aangevangen. De inhoudelijke behandeling van de ontnemingsvordering heeft plaatsgevonden op de terechtzitting van 12 augustus 2020, waarna vonnis wordt gewezen op 26 augustus 2020. Dit betekent dat er sinds de aankondiging ruim drie jaren zijn. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad geldt als regel dat een ontnemingsprocedure in eerste aanleg binnen twee jaren moet zijn behandeld, behoudens bijzondere omstandigheden.

Van dergelijke bijzondere omstandigheden is de rechtbank in deze zaak niet gebleken. In die gevallen waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden kan in ontnemingszaken worden gehandeld naar bevind van zaken (HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578). Rekening houdend met een termijnoverschrijding van ruim een jaar acht de rechtbank een vermindering van het totaalbedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel met 5% passend en geboden. Dit betekent dat de betalingsverplichting ten aanzien van [slachtoffer 1] zal worden vastgesteld op € 47.880,00 (€ 50.400,00 - € 2.520,00) en ten aanzien van [slachtoffer 2] op € 11.146,59 (€ 11.733,25 - € 586,66). 6Conclusie De rechtbank zal het wederrechtelijk verkregen voordeel schatten op (€ 50.400,00 ten aanzien van [slachtoffer 1] + € 11.733,25 ten aanzien van [slachtoffer 2] =) € 62.133,25.

De rechtbank zal de verplichting tot betaling aan de Staat vaststellen op (€ 47.880,00 ten aanzien van [slachtoffer 1] + € 11.146,58 ten aanzien van [slachtoffer 2] =) € 59.026,58.

7Het toepasselijke wetsartikel

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 8Beslissing De rechtbank: stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 62.133,25. legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 59.026,58 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel; bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 315 dagen. Dit vonnis is gewezen door mr.

J. Eisses, voorzitter, mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, rechter, mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. van de Wetering, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 augustus 2020. De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL0900-201506981-2 van team migratiecriminaliteit en mensenhandel (doorgenummerd pagina 1 t/m 412).

Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 1] d.d. 11 mei 2016, blz. 64 - 65. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 6 juni 2016, blz.

98. Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 1] d.d. 17 februari 2017, blz.

75. Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 1] zoals afgelegd tegenover de rechter-commissaris, d.d. 17 juli 2017. Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 28 maart 2017, blz.

4. Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 1] d.d. 17 februari 2017, blz.

74. Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 2] d.d. 2 december 2015, blz.

95. Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 2] zoals afgelegd tegenover de rechter-commissaris, d.d. 11 juli 2017. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 november 2016, blz. 162 - 165. Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 2] zoals afgelegd tegenover de rechter-commissaris, d.d. 11 juli 2017. Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 2] d.d. 15 juni 2015, blz.

91. Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 2] zoals afgelegd tegenover de rechter-commissaris, d.d. 11 juli 2017. Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 2] d.d. 2 december 2015, blz.

91. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 6 juni 2016, blz.

98. Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 28 maart 2017, blz.

14. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 november 2016, blz. 162 - 165. Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 2] zoals afgelegd tegenover de rechter-commissaris, d.d. 11 juli 2017. Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 2] zoals afgelegd tegenover de rechter-commissaris, d.d. 11 juli 2017. Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 2] d.d. 2 december 2015, blz.

95. Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 2] d.d. 2 december 2015, blz. 91.