Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:8096 ECLI:NL:RBDHA:2020:8096 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:8096 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:8096
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: AWB 19/9334 (beroep) en 19/8454 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en voorzieningenrechter van 20 augustus 2020 in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedatum] , van Turkse nationaliteit, V-nummer: [#] eiser, verzoeker, hierna te noemen: eiser, (gemachtigde: mr. L.K. Matpanözer), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 24 oktober 2019 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor het doel “arbeid als zelfstandige bij [eiser] Haarverzorging” afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBDHA:2020:8096 · Rechtbank Den Haag: De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder aan hem herstelverzuim had moeten bieden. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat eiser de gegevens en bescheiden ter onderbouwing van zijn aanvraag, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb en artikel 3.102, eerste lid, van het Vb, al in de aanvraagfase en uiterlijk in de bezwaarfase had moeten overleggen. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:410).

Keywords

AI generated
entry permit asylum application Turkish Kurd visa for temporary stay expired residence permit travel documents Turkish nationals

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht
Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2015:410
201408622/1/V1. Datum uitspraak: 6 februari 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 25 september 2014 in zaak nr. 14/11412 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 4 december 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2013:1001
201210957/1/V1. Datum uitspraak: 29 augustus 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 1 november 2012 in zaak nr. 12/15997 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel. Procesverloop Bij besluit van 22 maart 2012 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2017:977
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, 2.
ECLI:NL:RVS:2018:3922
201804864/1/V1. Datum uitspraak: 29 november 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 16 mei 2018 in zaak nr. 17/13332 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 21 december 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2016:2121
201506551/1/V2. Datum uitspraak: 20 juli 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 16 juli 2015 in zaken nrs. 14/20082 en 14/20084 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 11 november 2013 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken, zijn verblijfsrecht op grond van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (hierna: besluit nr. 1/80) beëindigd, hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en hem ongewenst verklaard.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: AWB 19/9334 (beroep) en 19/8454 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en voorzieningenrechter van 20 augustus 2020 in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedatum] , van Turkse nationaliteit, V-nummer: [#] eiser, verzoeker, hierna te noemen: eiser, (gemachtigde: mr. L.K. Matpanözer), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 24 oktober 2019 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor het doel “arbeid als zelfstandige bij [eiser] Haarverzorging” afgewezen.

Bij besluit van 29 november 2019 en aanvullend besluit van 5 december 2019 (de bestreden besluiten) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Daarnaast is hem een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft 4 mei 2020 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft partijen bericht dat een zitting achterwege zal worden gehouden tenzij een van de partijen aangeeft dat zij op zitting gehoord wenst te worden.

Partijen hebben schriftelijk aangegeven dat zij niet op een zitting gehoord wensen te worden. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Overwegingen De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. De aanvraag die thans ter beoordeling voor ligt is eisers derde aanvraag die hij op 15 augustus 2019 heeft ingediend. Zijn eerste aanvraag zag betrof een aanvraag om ‘arbeid als zelfstandige’ bij “ [eiser] kapsalon”. Deze aanvraag is bij besluit van 19 januari 2016 afgewezen, omdat eiser geen voldoende onderbouwd ondernemingsplan had overgelegd.

Het hiertegen ingestelde bezwaar is door verweerder op 19 mei 2017 ongegrond verklaard. Op 28 november 2016 heeft eiser een tweede keer een aanvraag om ‘arbeid als zelfstandige ingediend’. Ditmaal bij [eiser] Haarverzorging. Ook deze aanvraag is door verweerder afgewezen. Op 15 augustus 2019 heeft verweerder onderhavige aanvraag ingediend. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning voor verblijf als zelfstandig ondernemer. Daarom heeft verweerder eiser niet vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, tweede lid, onder e, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).

Eiser voert, samengevat, aan dat hem herstelverzuim had moeten worden geboden voordat de aanvraag werd afgewezen. Eiser wijst in dit verband op een uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 1 september 2016 (AWB 15/8078). Het bestreden besluit is niet zorgvuldig tot stand gekomen nu er geen herstelverzuim is geboden en eiser in bezwaar ten onrechte niet is gehoord. De documentatie-eis die verweerder stelt is verscherpt de afgelopen jaren en het is de vraag of verweerder met deze gewijzigde uitvoeringspraktijk niet in strijd handelt met het beginsel van gemeenschapstrouw.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder aan hem herstelverzuim had moeten bieden. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat eiser de gegevens en bescheiden ter onderbouwing van zijn aanvraag, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb en artikel 3.102, eerste lid, van het Vb, al in de aanvraagfase en uiterlijk in de bezwaarfase had moeten overleggen. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:410).

De in beroep ingediende stukken zijn dan ook terecht door verweerder buiten beschouwing gehouden. Verder overweegt de rechtbank dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 29 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1001) blijkt dat het documentatievereiste niet in strijd is met de standstill-bepaling. Ook is niet gebleken dat sprake is van een verscherping van het documentatievereiste. Eiser heeft zijn standpunt dat dit wel zo zou zijn onvoldoende onderbouwd. Voor zover eiser doelt op wijzigingen in het beleid van verweerder in de Vreemdelingencirculaire 2000 heeft eiser niet aangegeven om welke wijzigingen het gaat.

De verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 1 september 2016 treft geen doel, nu geen sprake is van een gelijk geval. Daar was de zaak wel voorgelegd aan de RvO en lag de toetsing van de RvO voor. Daarnaast heeft de Afdeling deze uitspraak op 4 april 2017 vernietigd (ECLI:NL:RVS:2017:977). Het beroep op strijdigheid met gemeenschapstrouw faalt omdat dit verder niet onderbouwd of geconcretiseerd is. Eiser voert verder aan dat het inreisverbod disproportioneel is en in strijd is met artikel 41 van het aanvullend Protocol en artikel 9 van de Turkse Associatieovereenkomst.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen concrete individuele omstandigheden zijn aangevoerd waarom zou moeten worden afgezien van een inreisverbod dan wel dat die een kortere duur zou moeten hebben. Niet valt in te zien waarom het inreisverbod van twee jaar disproportioneel is (ECLI:NL:RVS:2018:3922 en ECLI:NL:RVS:2016:2121). Voorts is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van schending van de hoorplicht. Verweerder mag met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb van het horen afzien indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit.

Gelet op de inhoud van het primaire besluit en wat daartegen door eiser is aangevoerd, doet een dergelijke situatie zich hier voor en heeft verweerder kunnen afzien van horen. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Verzoek om een voorlopige voorziening 11. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

11. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Mac Donald, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M. Belhaj, griffier. De beslissing is gedaan op 20 augustus 2020. griffier rechter afschrift verzonden aan partijen op: Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken. RechtsmiddelTegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.