Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:7322 ECLI:NL:RBDHA:2020:7322 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:7322 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:7322
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: NL20.7276 V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser (gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 maart 2020 (het bestreden besluit). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting. Overwegingen Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Syrische nationaliteit.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBDHA:2020:7322 · Rechtbank Den Haag: W.P.R. Peeters), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 maart 2020 (het bestreden besluit). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting. Overwegingen Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Syrische nationaliteit.

Keywords

AI generated
asylum for Syrian nationals refugee status visa for temporary stay applicability of immigration law temporary protection unworthiness of asylum

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2016:1625
201508632/1/V2. Datum uitspraak: 13 juni 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 18 november 2015 in zaak nr. 15/18899 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 19 oktober 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen ingewilligd.
ECLI:NL:RVS:2009:BH0140
Procesverloop Bij besluit van 27 november 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) aan [appellante (hierna: de vreemdeling) met ingang van 6 april van dat jaar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 4 juni 2008, verzonden op 6 juni 2008, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 4 juli 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
ECLI:NL:RVS:2018:3171
201706929/1/V1. Datum uitspraak: 1 oktober 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 31 juli 2017 in zaak nr. 17/9415 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 5 april 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover hier van belang, de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: NL20.7276 V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser (gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 maart 2020 (het bestreden besluit). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting. Overwegingen Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Syrische nationaliteit.

Op 15 maart 2019 heeft hij een asielaanvraag ingediend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze aanvraag ingewilligd en aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) met ingang van 15 maart 2019 en geldig tot 15 maart 2024. Eiser heeft beroep ingesteld omdat hij vindt dat verweerder hem ten onrechte geen verblijfsvergunning asiel heeft verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat eisers asielrelaas geloofwaardig is, maar dat zijn problemen niet zijn te herleiden tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag.

Eiser komt daar nu tegen op, om te voorkomen dat hij later, bij een eventuele intrekking van zijn verblijfsvergunning, in een minder gunstige positie komt te verkeren omdat hij dan te laat zal zijn met het aanvechten van de verwerping van de ‘a-gronden’ in het bestreden besluit. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling moet ervan worden uitgegaan dat indien aan een vreemdeling een verblijfsvergunning krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw is verleend, er geen belang bestaat voor de vreemdeling bij het instellen van een beroep tegen het daaraan ten grondslag liggende besluit, zolang de verleende vergunning geldig is.

Dit belang kan wel ontstaan indien de vergunning op enig moment zou worden ingetrokken of niet verlengd. Op dat moment zal ook een oordeel gevraagd kunnen worden aan de rechter over het feit dat verweerder geen vergunning op de a-grond heeft willen verlenen en over de motivering van die beslissing.

4. Gelet op deze jurisprudentie komt de rechtbank tot de conclusie dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Eisers verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2018 kan niet tot een ander oordeel leiden. Die uitspraak had namelijk betrekking op een afgeleide verblijfsvergunning asiel, als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Vw. In die zaak zou de vreemdeling door verlening van een vergunning op grond van het eerste lid in een gunstiger positie komen, omdat dat verblijfsrecht niet afhankelijk was van dat van zijn moeder. Eiser heeft echter geen afgeleide maar een zelfstandige verblijfsvergunning en heeft ook overigens niet toegelicht waarom hij met een verblijfsvergunning op de a-grond in een gunstiger positie zal komen dan bij een verblijfsvergunning op de b-grond. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld de uitspraken van 13 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1625, en 14 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH0140. ECLI:NL:RVS:2018:3171