Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:7276 ECLI:NL:RBDHA:2020:7276 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:7276 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:7276
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 19/4683 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2020 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser en de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder (gemachtigde: mr. K. Verbeek). Procesverloop Bij besluit van 15 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) afgewezen. Bij besluit van 8 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:7276 · Rechtbank Den Haag: De rechtbank komt tot de volgende beoordeling. 4.1. De te beoordelen periode loopt van 4 november 2018, de datum van de aanvraag, tot en met 15 maart 2019, de datum van de afwijzing. 4.2. Ingevolge artikel 47a, eerste lid onder b, van de Pw heeft de Sociale verzekeringsbank tot taak het verlenen van algemene bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen aan gehuwden, van wie één echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt hier te lande die in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

Keywords

AI generated
back taxes deductions and refunds wage deduction pension overpayment setoff deduction from qualifying income refund of contributions to foreigners

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2019:743
183174 PW Datum uitspraak: 5 maart 2019 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 april 2018, 17/4924 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.
ECLI:NL:CRVB:2019:1543
18 3938 PW, 18/3939 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Datum uitspraak: 7 mei 2019 Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 juni 2018, 17/6769 en 17/7039 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. K.M. van der Boor, advocaat, hoger beroep ingesteld. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 26 maart 2019. Partijen zijn niet verschenen.
ECLI:NL:CRVB:2018:3513
173554 PW Datum uitspraak: 30 oktober 2018 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 april 2017, 17/15 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Cuijk (college) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. C.J. Driessen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 19/4683 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2020 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser en de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder (gemachtigde: mr. K. Verbeek). Procesverloop Bij besluit van 15 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) afgewezen. Bij besluit van 8 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. In verband met de maatregelen rondom het coronavirus heeft de rechtbank partijen gevraagd of zij ermee instemmen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Partijen hebben hiermee schriftelijk ingestemd. Nadat partijen gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid om nadere stukken in te dienen is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. Eiser is gehuwd en ontvangt met ingang van 1 september 2018 een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet.

Daarnaast ontvangt eiser een aanvullend pensioen van Aegon en een teruggave van de inkomstenbelasting van de Belastingdienst. Op 4 november 2018 heeft eiser bij verweerder een AIO-aanvulling aangevraagd. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, omdat volgens hem het gezamenlijk inkomen van eiser en zijn vrouw in de periode in geding boven de gehuwdennorm uit de Participatiewet (Pw) lag.

2. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat het maandelijkse inkomen van eiser € 1.916,01 bedraagt. Dit inkomen is volgens verweerder opgebouwd uit een AOW-pensioen van € 793,77, een aanvullend pensioen van € 596,49 en een voorlopige teruggave inkomstenbelasting van € 525,75. Dat eiser een negatief vermogen van € 89.976.86 heeft, is volgens verweerder niet van belang nu de aanvraag van eiser reeds gelet op zijn inkomsten diende te worden afgewezen.

3. Eiser bestrijdt dat zijn inkomen boven de gehuwdennorm ligt. Hij betoogt dat verweerder zijn inkomen niet op de juiste wijze heeft vastgesteld. Eiser voert hiertoe allereerst aan dat de voorlopige teruggave die hij maandelijks van de Belastingdienst ontvangt, door verweerder ten onrechte als inkomen is aangemerkt. Eiser stelt dat hij deze bedragen ten onrechte van de Belastingdienst ontvangt en dat hij deze te zijner tijd zal moeten terugbetalen. Bovendien is verweerder volgens eiser in het bestreden besluit ten onrechte uitgegaan van een andere voorlopige teruggave dan in het primaire besluit. Daarnaast voert eiser aan dat de vakantietoeslag over zijn AOW-uitkering ten onrechte volledig is meegenomen bij de berekening van zijn inkomen. Verder heeft verweerder volgens eiser ten onrechte geen rekening gehouden met de door hem verschuldigde revisierente. Eiser betoogt daarnaast dat verweerder zijn vermogen niet op de juiste wijze heeft vastgesteld en dat de instanties die de Participatiewet uitvoeren met twee maten meten.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling. 4.1. De te beoordelen periode loopt van 4 november 2018, de datum van de aanvraag, tot en met 15 maart 2019, de datum van de afwijzing. 4.2. Ingevolge artikel 47a, eerste lid onder b, van de Pw heeft de Sociale verzekeringsbank tot taak het verlenen van algemene bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen aan gehuwden, van wie één echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt hier te lande die in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

Uit het tweede lid volgt dat onder meer artikel 22 van toepassing is op het verlenen van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen. Ingevolge artikel 22, onder c, van de Pw, zoals dit luidde ten tijde van de aanvraag, is de norm per kalendermaand € 1.533,18 voor gehuwden waarvan een echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en de andere echtgenoot 21 jaar of ouder, doch de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, zonder kostendelende medebewoners. Per 1 januari 2019 bedroeg de norm € 1.563,46. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Pw worden tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

Ingevolge artikel 32, eerste lid, onder a, van de Pw, voor zover hier van belang, wordt onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze betreffen inkomsten uit voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting. 4.3. Verweerder heeft bij de beoordeling van het recht van eiser op een AIO-aanvulling terecht de voorlopige teruggave als een in aanmerking te nemen middel aangemerkt. Een voorlopige teruggave inkomstenbelasting moet op grond van artikel 32, eerste lid, onder a, van de Pw als inkomen worden aangemerkt en worden toegerekend aan de periode waarop deze teruggave betrekking heeft (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:743).

Dat eiser de voorlopige teruggave, naar hij stelt, ten onrechte ontvangt en te zijner tijd zal moeten terugbetalen, doet er niet aan af dat hij vooralsnog de teruggave maandelijks ontvangt, daarover kan beschikken en deze kan aanwenden om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan (zie de uitspraak van de CRvB van 7 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1543). 4.4. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het door verweerder gehanteerde bedrag van de voorlopige teruggave niet klopt. Voor 2018 gold, blijkens de voorlopige aanslag 2018, een voorlopige teruggave van € 6.309,- oftewel € 525,75 per maand.

Verweerder is terecht van dit bedrag uitgegaan. Niet in geschil is dat eiser ook in 2019 een voorlopige teruggave ontving. Voor zover eiser een beroep heeft gedaan op het verbod van reformatio in peius met zijn betoog dat verweerder in het primaire besluit is uitgegaan van een lagere voorlopige teruggave dan in het bestreden besluit, slaagt dit niet. De weigering van de AIO-aanvulling in het primaire besluit is met het bestreden besluit immers gehandhaafd, zodat de rechtspositie van eiser met het bestreden besluit niet is verslechterd. 4.5. Voorts heeft verweerder bij de vaststelling van het inkomen terecht rekening gehouden met het recht van eiser op vakantietoeslag over zijn AOW-uitkering.

In artikel 45, eerste lid, eerste volzin, van de Pw is bepaald dat de algemene bijstand (lees: AIO-aanvulling) per kalendermaand wordt vastgesteld en betaald. Uit artikel 32, tweede lid, van de Pw en de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ (de Regeling) volgt dat daarbij de aanspraak op vakantietoeslag over de AOW-uitkering in aanmerking wordt genomen (zie ook de uitspraak van de CRvB van 30 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3513). De aanspraak op vakantietoeslag die over een inkomen bestaat wordt, anders dan eiser betoogt, blijkens de Regeling niet vastgesteld op het te zijner tijd feitelijk uit te betalen bedrag, maar wordt op grond van het maandinkomen forfaitair vastgesteld. 4.6.

De door eiser verschuldigde revisierente heeft verweerder terecht niet betrokken bij de berekening van het inkomen van eiser. Het betreft hier een schuld waarmee verweerder ingevolge artikel 34 van de Participatiewet rekening dient te houden bij het vaststellen van het vermogen van eiser, maar die niet van belang is bij het vaststellen van diens inkomen.

5. Verweerder heeft het inkomen van eiser terecht vastgesteld op € 1.916,01. Dit inkomen ligt boven de in de beoordelingsperiode geldende normen en verweerder heeft de aanvraag dan ook terecht afgewezen. Hetgeen eiser heeft aangevoerd met betrekking tot de berekening van zijn vermogen, behoeft daarom geen bespreking.

6. Voor zover eiser zich heeft beroepen op het gelijkheidsbeginsel, faalt dit betoog. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder in gelijke gevallen anders heeft beslist dan in dit geval. De stelling van eiser dat hem door het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop een individuele inkomenstoeslag is toegekend baat hem niet, reeds omdat deze beslissing niet door verweerder is genomen.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.A. van Weert, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 29 juni 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.