Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:7107 ECLI:NL:RBDHA:2020:7107 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:7107 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:7107
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

uitspraak buiten zitting RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: NL19.31665 en NL19.31666 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser] , met V-nummer [V-nummer] , eiser, en [eiseres] , met V-nummer [V-nummer] , eiseres, mede namens de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , hierna gezamenlijk eisers (gemachtigde: mr. A.M. van Eik), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: Y.W.M. Schrijver). Procesverloop Deze uitspraak gaat over de beroepen van eisers omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBDHA:2020:7107 · Rechtbank Den Haag: Verder beschouwt de rechtbank deze zaken vanwege de inhoud als samenhangende zaken. Daarom blijft de hoogte van de vergoeding beperkt tot het bedrag dat in een zaak zou worden toegekend (artikel 3 van het Bpb). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog besluiten bekend te maken; bepaalt dat verweerder aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 262,50 aan proceskosten.

Keywords

AI generated
delayed asylum application prosecutorial delay untimely request for extension right to a decision lack of urgency postponement of trial

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Overwegingen De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBDHA:2019:3262
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL19.3261 uitspraak van de meervoudige kamer van 2 april 2019 in de zaak tussen [eiser] , geboren op [datum] 1994, v-nummer [nummer] , van Jemenitische nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. A. Khalaf), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Op 13 februari 2019 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen op zijn op 10 juli 2018 ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
ECLI:NL:RBGEL:2019:5181
2 Vergelijk ECLI:NL:RBGEL:2019:5181 3 Rb.
ECLI:NL:RBDHA:2019:11476
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL19.20294 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , v-nummer [nummer] , eiser (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RVS:2018:3934
201806573/1/V1. Datum uitspraak: 3 december 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 12 juli 2018 in zaken nrs. 16/20064 en 16/20066 in het geding tussen: de vreemdelingen en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 14 augustus 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en geweigerd om hun ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen en te bepalen dat hun uitzetting krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) achterwege blijft.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak buiten zitting RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: NL19.31665 en NL19.31666 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser] , met V-nummer [V-nummer] , eiser, en [eiseres] , met V-nummer [V-nummer] , eiseres, mede namens de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , hierna gezamenlijk eisers (gemachtigde: mr. A.M. van Eik), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: Y.W.M. Schrijver). Procesverloop Deze uitspraak gaat over de beroepen van eisers omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Overwegingen De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar.

Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Awb. Partijen zijn het met elkaar eens dat verweerder te laat is met het beslissen op de aanvraag van eisers. In zijn verweerschrift van 17 januari 2020 geeft verweerder dit ook aan. De rechtbank stelt vast dat eisers verweerder op 11 december 2019 in gebreke hebben gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. De rechtbank geeft daarvoor normaal een termijn van twee weken.

Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een langere termijn geeft (artikel 8:55d, lid 3, van de Awb).

5. In zijn verweerschrift zegt verweerder dat er achterstanden zijn in de behandeling van de asielaanvragen. Dit komt doordat er meer zaken zijn en de samenstelling van de zaken anders is dan verwacht. Verweerder geeft aan dat de doorlooptijden van de asielaanvragen nog steeds stijgt en noemt in zijn verweerschrift de maatregelen die hij neemt om de doorlooptijden te verminderen. Verweerder is namelijk extra personeel aan het werven. In het specifieke geval van eisers wijst verweerder erop dat hij geen concrete termijn kan geven, waarbinnen hij op de aanvraag van eisers kan beslissen.

Verweerder geeft daarbij aan dat hij geen voorrang kan verlenen aan zaken waarin beroep is ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag. Dit laatste zou volgens verweerder ten koste gaan van aanvragen die eerder zijn ingediend dan die van eisers. Verweerder verzoekt de rechtbank om te bepalen dat het eerste gehoor van eisers binnen acht weken na verzending van de uitspraak plaatsvindt. Verweerder verwijst daarbij naar een uitspraak van 2 april 2019 van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem1.

6. Uit de beschikbare stukken blijkt dat eisers in deze zaak nog niet de kans hebben gehad om de asielaanvraag te onderbouwen. Het is daarom nog niet duidelijk of de aanvraag van eisers in de Algemene Asielprocedure (AA-procedure) of de Verlengde Asielprocedure (VA-procedure) zal worden behandeld.

7. De rechtbank ziet onder de gegeven omstandigheden aanleiding om aan verweerder een langere beslistermijn dan twee weken op te leggen. Om zowel recht te doen aan het belang van eisers bij een duidelijke beslistermijn, als het belang van verweerder om tot een zorgvuldige besluitvorming te kunnen komen, zal de rechtbank een uiterlijke beslistermijn opleggen van acht weken.

8. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. In afwijking van het landelijk beleid van een maximum van € 15.000 wordt het maximum bepaald op € 7.500.2 De rechtbank verlaagt dit maximum om de termijn dat een dwangsom wordt verbeurd te verkorten. Als de dwangsom nog niet volledig is verbeurd, is het voor een vreemdeling immers lastig een nieuw beroep niet tijdig zonder nieuwe feiten en omstandigheden, gehonoreerd te zien.3 Dat betekent dat de vreemdeling, als aan de termijnen niet wordt voldaan en bij een maximum van € 15.000, nog 150 dagen moet wachten voordat alle dwangsommen zijn verbeurd.

Deze termijn acht de rechtbank te lang en daarom verkort de rechtbank deze termijn tot 75 dagen. Hiermee komt de rechtbank tegemoet aan het belang van eisers om, wanneer verweerder aan de uitspraak geen gevolg geeft, de zaak zonder nieuwe feiten en omstandigheden opnieuw aan de rechter voor te kunnen leggen. Deze dwangsom geldt voor eisers gezamenlijk. Verweerder moet wel afzonderlijk op de aanvragen beslissen, maar de beslissingen die moeten worden genomen hangen nauw met elkaar samen4.

1. ECLI:NL:RBDHA:2019:3262. 2 Vergelijk ECLI:NL:RBGEL:2019:5181 3 Rb. Den Haag, zittingsplaats Arnhem, 25 oktober 2019, r.o. 3 (ECLI:NL:RBDHA:2019:11476) 4 ABRvS 3 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3934).

9. Het beroep is gegrond. Dat betekent ook dat eisers een vergoeding krijgen voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is dit een vast bedrag omdat eisers een professionele (juridische) hulpverlener hebben ingeschakeld om voor hen een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 262,50.

Verder beschouwt de rechtbank deze zaken vanwege de inhoud als samenhangende zaken. Daarom blijft de hoogte van de vergoeding beperkt tot het bedrag dat in een zaak zou worden toegekend (artikel 3 van het Bpb). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog besluiten bekend te maken; bepaalt dat verweerder aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 262,50 aan proceskosten.

Verweerder moet dit bedrag betalen aan eisers. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken. de griffier de rechter Deze uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op: 24 juni 2020 Documentcode: [documentcode] Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent.

Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.