Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:6973 ECLI:NL:RBDHA:2020:6973 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:6973 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:6973
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL19.30970 uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van [Naam], opposant, eerder eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. M.M.A.F.C. Lienaerts). Procesverloop Opposant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag. Bij uitspraak van 20 februari 2020 met bovengenoemd zaaknummer heeft de rechtbank dat beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden met een beeldverbinding op 3 juli 2020.

Legislator headnote

AI generated

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBDHA:2020:6973 · Rechtbank Den Haag: Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat aan de hand van het v-nummer voldoende duidelijk is voor verweerder op welke aanvraag de ingebrekestelling betrekking heeft. Er is slechts één procedure voor opposant aanhangig. Voor verweerder was de ingebrekestelling ook voldoende duidelijk, aangezien verweerder in reactie op de ingebrekestelling direct een ontvangstbevestiging heeft verstuurd. Voor zover het voor verweerder onvoldoende duidelijk zou zijn geweest op welke aanvraag de ingebrekestelling betrekking heeft, had verweerder de gelegenheid moeten bieden om dit verzuim te herstellen.

Keywords

AI generated
statute of limitations bar procedural interpretation of judgment insufficiently substantiated submissions lack of procedural indigence clarity of legal norms partial claim

Cited Legislation

AI generated
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2018:3823
201709211/1/A1. Datum uitspraak: 21 november 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 11 oktober 2017 in zaak nr. 17/1653 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Oss. Procesverloop Bij besluit van 17 mei 2016 heeft het college het verzoek van [appellante] om handhavend op te treden tegen een poort in de erfafscheiding op het perceel [locatie A] te Oss afgewezen. Bij besluit van 31 augustus 2016 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2014:4682
201402074/1/A3. Datum uitspraak: 24 december 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], 2. het college van burgemeester en wethouders van Delft, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 januari 2014 in zaak nr. 13/8033 in het geding tussen: [appellant sub 1] en het college. Procesverloop Bij besluit van 26 maart 2013 heeft het college vastgesteld dat het jegens [appellant sub 1] geen dwangsommen is verschuldigd. Bij besluit van 28 augustus 2013 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2016:1799
201509482/1/A3. Datum uitspraak: 29 juni 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Amsterdam, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 november 2015 in zaak nr. 15/370 in het geding tussen: [appellant] en het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Centrum. Procesverloop Bij besluit van 1 juli 2014 heeft het algemeen bestuur, voor zover thans van belang, een verzoek van [appellant] om verschuldigde dwangsommen vast te stellen, afgewezen. Bij besluit van 9 december 2014 heeft het algemeen bestuur het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2020:291
201905484/1/A2. Datum uitspraak: 29 januari 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Bilthoven, gemeente De Bilt, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 25 juni 2019 in zaak nr. 18/4577 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van De Bilt. Procesverloop [appellant] heeft beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college op de verzoeken van 20 juni 2018. Bij uitspraak van 25 juni 2019 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om feitelijke handelingen te verrichten.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL19.30970 uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van [Naam], opposant, eerder eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. M.M.A.F.C. Lienaerts). Procesverloop Opposant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag. Bij uitspraak van 20 februari 2020 met bovengenoemd zaaknummer heeft de rechtbank dat beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden met een beeldverbinding op 3 juli 2020.

Opposant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. der Bedrosian, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Overwegingen 1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep beoordeeld als kennelijk niet-ontvankelijk, omdat niet voldaan is aan de vereisten van een geldige ingebrekestelling. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat niet duidelijk is op welke aanvraag de ingebrekestelling betrekking heeft, omdat opposant heeft verzuimd om bij de ingebrekestelling de datum van de aanvraag en het zaaknummer te vermelden.

2. In verzet beoordeelt de rechtbank slechts of er redelijke twijfel mogelijk is over de kennelijkheid van haar eerdere oordeel. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.

3. Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat aan de hand van het v-nummer voldoende duidelijk is voor verweerder op welke aanvraag de ingebrekestelling betrekking heeft. Er is slechts één procedure voor opposant aanhangig. Voor verweerder was de ingebrekestelling ook voldoende duidelijk, aangezien verweerder in reactie op de ingebrekestelling direct een ontvangstbevestiging heeft verstuurd. Voor zover het voor verweerder onvoldoende duidelijk zou zijn geweest op welke aanvraag de ingebrekestelling betrekking heeft, had verweerder de gelegenheid moeten bieden om dit verzuim te herstellen.

Voor de gemachtigde van opposant was het daarnaast ook niet mogelijk om meer informatie over de aanvraag bij de ingebrekestelling te vermelden, doordat de gemachtigde destijds niet over het dossier van opposant beschikte. Opposant wijst erop dat verschillende andere zittingsplaatsen van deze rechtbank in vergelijkbare zaken hebben geoordeeld dat wel sprake is van een geldige ingebrekestelling. Daarnaast heeft de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) waar de rechtbank in zijn uitspraak van 20 februari 2020 naar heeft verwezen betrekking op een omgevingsrechtelijk geschil dat niet vergelijkbaar is met de zaak van opposant.

In het geval van opposant is namelijk wel duidelijk dat er sprake is van een ingebrekestelling. Tot slot merkt opposant op dat rekening moet worden gehouden met zijn belang om een tijdige beslissing op zijn aanvraag te ontvangen.

4. Uit jurisprudentie van de Afdeling, waaronder de uitspraak waar de rechtbank in de uitspraak van 20 februari 2020 naar verwijst, blijkt dat het de verantwoordelijkheid van de indiener van de ingebrekestelling is om duidelijk te maken op welke aanvraag deze betrekking heeft. De uitspraak waar de rechtbank naar heeft verwezen maakt deel uit van bestendige jurisprudentie van de Afdeling en de daarin geformuleerde vereisten voor een geldige ingebrekestelling zijn ook van toepassing in deze zaak. Opposant heeft in de ingebrekestelling nagelaten de datum van de aanvraag te vermelden en aan te duiden om wat voor aanvraag het gaat.

Het v-nummer is een persoonsnummer en volstaat niet om aan te duiden over welke aanvraag het gaat. Dat de gemachtigde van opposant niet over het dossier van opposant beschikte en daarom niet meer informatie kon verstrekken bij de ingebrekestelling, is niet aannemelijk gemaakt. Maar zelfs in dat geval had het op de weg van opposant gelegen om de aanvraag te typeren of bij benadering een datum van de aanvraag te noemen. Verweerder heeft zich in het verweerschrift ook op het standpunt gesteld dat de ingebrekestelling niet voldoende duidelijk is. Uit de enkele ontvangstbevestiging van de ingebrekestelling kan het tegendeel niet worden afgeleid.

Dat verweerder aan de hand van het v-nummer zelf zou kunnen achterhalen over welke aanvraag het gaat omdat opposant maar één procedure aanhangig heeft is niet onderbouwd, maar ontslaat opposant bovendien niet van zijn verantwoordelijkheid in dit verband. De verwijzing naar de uitspraken van de rechtbank in andere gevallen leidt niet tot een ander oordeel. De enkele omstandigheid dat verweerder in het verweerschrift van 15 januari 2020 heeft gesteld dat de ingebrekestelling geldig is, is evenmin aanleiding voor een ander oordeel.

5. In wat opposant heeft aangevoerd, ziet de rechtbank dus geen aanleiding voor twijfel over de kennelijkheid van het oordeel in de uitspraak van 20 februari 2020. Voor een belangenafweging is in een verzetprocedure geen plaats. Het verzet is ongegrond. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Uitspraken van zittingsplaatsen Arnhem van 30 januari 2020 (NL20.83), Groningen van 21 februari 2020 (NL19.27662) en Zwolle, 13 februari 2020 (NL19.27544) Uitspraak van 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3823 Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4682, die van 29 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1799 en die van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:291