Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:5633 ECLI:NL:RBDHA:2020:5633 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:5633 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:5633
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Eisers gemachtigde bevestigt dit en verwijst daarbij naar het late handelen van verweerder. De rechter wijst het verzoek om de dochter van referente als getuige te horen af. Het verzoek is niet tijdig gedaan, de getuige is al aanwezig in de zittingszaal en zij is niet onafhankelijk, nu zij banden heeft met eiser en referente.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:60 lid 4 Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:63 Awb; ECLI:NL:RBDHA:2020:5633 · Rechtbank Den Haag: Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem of haar bekend zijn geworden. 3.2. De bestuursrechter is bij de uitoefening van zijn taak gebonden aan de in het bestuurs(proces)recht geldende wetten en regels. Ingevolge artikel 8:60 lid 4 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen partijen getuigen meebrengen, mits daarvan uiterlijk een week voor de dag van de zitting aan de bestuursrechter en aan de andere partijen mededeling is gedaan.

Keywords

AI generated
obligation to testify party testimony right to produce evidence perpetuation of evidence exclusion of witness lack of witness credibility

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:60 lid 4 Algemene wet bestuursrecht
Ingevolge artikel 8:60 lid 4 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen partijen getuigen meebrengen, mits daarvan uiterlijk een week voor de dag van de zitting aan de bestuursrechter en aan de andere partijen mededeling is gedaan.
artikel 8:63 Awb
Ingevolge het tweede lid van artikel 8:63 Awb kan, voor zover hier van belang, de bestuursrechter afzien van het horen van door een partij meegebrachte of opgeroepen getuige indien hij van oordeel is dat dit redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2018:1200
201703978/1/A2. Datum uitspraak: 11 april 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 april 2017 in zaak nr. 16/7773 in het geding tussen: [appellant] en de Belastingdienst/Toeslagen. Procesverloop Bij besluit van 4 mei 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellant] toegekende voorschot huurtoeslag over 2015 opnieuw berekend en vastgesteld op € 1.432,00. Bij besluit van 27 mei 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellant] toegekende huurtoeslag over 2014 definitief berekend en vastgesteld op € 271,00.
ECLI:NL:HR:2004:AO7190
Het geding in feitelijke instanties Verweerster in cassatie, zowel optredende voor zichzelf als in haar hoedanigheid van moeder en wettelijke vertegenwoordigster van haar [dochter], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991, - verder te noemen: [verweerster] - heeft bij exploot van 28 juli 1997 eiser - verder te noemen: AZG - gedagvaard voor de rechtbank te Groningen en gevorderd voor recht te verklaren dat AZG zowel jegens [verweerster] als jegens [de dochter] voornoemd tijdens de werkzaamheden bij de baring van [de dochter] en de wijze waarop deze baring is geleid niet de nodige zorgvuldigheid heeft betracht en jegens hen bij de uitvoering van de tussen partijen bestaande overeenkomst is tekortgeschoten, tengevolge waarvan [verweerster] en haar [dochter] schade hebben geleden en in de toekomst nog meer schade zullen lijden, waarvoor AZG aansprakelijk kan worden geacht en AZG ter zake van het voorgaande te veroordelen om aan [verweerster] schadevergoeding te betalen op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en AZG te veroordelen in de proceskosten en dit vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank den haag Wrakingskamer wrakingnummer 2020/14 zaak- /rekestnummer: C/09/589670/ KG RK 20/334 Beslissing van 22 juni 2020 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: verzoeker, gemachtigde: mr. E. Tamas te Den Haag, strekkende tot de wraking van mr. G.P. Kleijn, bestuursrechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de bestuursrechter. Belanghebbende in deze procedure is: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (gemachtigde: mr. J.S.M. Rietveld). 1De procedure 1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit: - het proces-verbaal van 27 februari 2020 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld; - de schriftelijke reactie van de bestuursrechter van 11 maart 2020. 1.2. Bij de mondelinge behandeling zijn de gemachtigde van verzoeker, mr. E. Tamas, advocaat te Den Haag en de dochter van referente verschenen. De bestuursrechter heeft op voorhand laten weten niet te zullen verschijnen. 2Het wrakingsverzoek 2.1. Het verzoek strekt tot wraking van de bestuursrechter in de zaak met nummer AWB 19/4715 tussen verzoeker en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

In deze bestuursrechtelijke procedure is het bezwaar van verzoeker op het nieuwe besluit van de belanghebbende, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, over de aanvraag tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet, aan de orde. Genoemde belanghebbende heeft de herhaalde aanvraag van verzoeker om een verblijfvergunning op basis van EU-recht afgewezen, op de grond dat tussen verzoeker en referente sprake is van een schijnhuwelijk. 2.2. Ter zitting van 27 februari 2020 van de bestuursrechter is het door verzoeker ingestelde beroep hiertegen behandeld.

Het proces-verbaal van deze zitting houdt onder meer het volgende in: “10. De rechter stelt eisers verzoek aan de orde om de dochter van referente als getuige te horen. Hij stelt vast dat deze getuige aanwezig is in de zittingszaal en dat dit verzoek niet van tevoren is aangekondigd.

1. Eisers gemachtigde bevestigt dit en verwijst daarbij naar het late handelen van verweerder.

12. De rechter wijst het verzoek om de dochter van referente als getuige te horen af. Het verzoek is niet tijdig gedaan, de getuige is al aanwezig in de zittingszaal en zij is niet onafhankelijk, nu zij banden heeft met eiser en referente.

13. Eisers gemachtigde kan de rechter niet volgen en stelt dat eiser op deze manier geen eerlijk proces krijgt. De dochter komt vaak voor in het dossier. Zij kan verklaren over de fiets van eiser en de reis van referente naar Spanje. Zij is geen derde, maar familie. Eisers gemachtigde vraagt zich af welke onafhankelijke getuigen mogelijk zijn, nu et gaat om het privéleven van eiser en referente.

14. De rechter handhaaft zijn beslissing en stelt dat deze duidelijk is.

15. Eisers gemachtigde stelt dat met de beslissing afbreuk wordt gedaan aan eisers recht op een eerlijk proces en wraakt de rechter. Het gaat om gebeurtenissen in de privésfeer. Uit de beslissing van de rechter volgt dat dit soort getuigenissen dan nooit een bijdrage kunnen leveren aan het geschil.

16. De rechter merkt op dat het verzoek niet tijdig is aangekondigd en familieleden in beginsel geen onafhankelijke getuigen zijn.

17. Eisers gemachtigde stelt dat dit een drogredenering is.

18. De rechter merkt op dat het gebruikelijk is dat een getuige op de gang blijft alvorens een getuigenis af te leggen.

19. Eisers gemachtigde stelt dat met de getuige niets van tevoren is besproken. Daarbij heeft hij geen vragen aan verweerder, maar gaat het om een getuigenis in zijn algemeenheid.

20. De rechter vat eisers gemachtigde samen dat hij de rechter wraakt, omdat hij vooringenomen is.” 2.3. Namens verzoeker is blijkens het proces-verbaal van het mondelinge wrakingsverzoek, zoals toegelicht – overeenkomstig de door gemachtigde overgelegde pleitnota – bij de mondelinge behandeling, het volgende aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd. De bestuursrechter heeft de belanghebbende als procespartij bevoordeeld door het drie dagen voor de zitting door belanghebbende ingediende verweer – ondanks de bezwaren hiertegen van verzoeker – toe te laten en ter zitting van 27 februari 2020 te behandelen.

Verzoeker achtte het horen van een getuige (de bij het gezin behorende dochter van referente) noodzakelijk om de juridische (nieuwe) stellingname in dit verweer te ontkrachten. Daartoe heeft verzoeker deze getuige meegebracht naar de zitting en haar aanwezigheid voorafgaand aan de zitting bij de bode aangekondigd. Ter zitting heeft de bestuursrechter het in de pleitnota van verzoeker met voldoende redenen omklede verzoek deze meegebrachte getuige te horen, afgewezen. 2.4. Met deze afwijzende beslissing van de bestuursrechter – om de redenen zoals deze hieraan ter zitting ten grondslag zijn gelegd en in de context van de motivering van het verzoek in de pleitnota – wordt afbreuk gedaan aan het recht van verzoeker op een eerlijk proces.

Voor de rechter moet duidelijk zijn geweest dat de verklaring van deze getuige – die uit eigen waarneming kan verklaren over gebeurtenissen in de privésfeer van verzoeker – relevant was voor de beoordeling van het geschil naar aanleiding van het door verweerder slechts drie dagen voor de zitting ingenomen standpunt. Het negeren van de relevantie van het horen van deze getuige, het oordeel dat zij vanwege haar aanwezigheid in de zittingszaal en haar relatie als familielid niet onafhankelijk zou zijn en het bezigen van excessief formalisme bij de afwijzende beslissing, getuigen van vooringenomenheid van de bestuursrechter jegens verzoeker en tegelijkertijd van bevoordeling en bescherming van de belangen van de belanghebbende. 2.5.

De bestuursrechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken. 3De beoordeling 3.1. Een bestuursrechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld.

Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem of haar bekend zijn geworden. 3.2. De bestuursrechter is bij de uitoefening van zijn taak gebonden aan de in het bestuurs(proces)recht geldende wetten en regels. Ingevolge artikel 8:60 lid 4 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen partijen getuigen meebrengen, mits daarvan uiterlijk een week voor de dag van de zitting aan de bestuursrechter en aan de andere partijen mededeling is gedaan.

Ingevolge het tweede lid van artikel 8:63 Awb kan, voor zover hier van belang, de bestuursrechter afzien van het horen van door een partij meegebrachte of opgeroepen getuige indien hij van oordeel is dat dit redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De bestuursrechter is niet verplicht op een aanbod tot het horen van getuigen in te gaan (zie bijvoorbeeld ABRvS 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1200, m.nt. R. Ortlep). In het geval een partij getuigen meeneemt naar de zitting is er dus geen garantie dat de bestuursrechter die getuigen daadwerkelijk hoort.

De bestuursrechter mag zelfs afzien van het horen van een getuige op basis van een door hem gegeven prognose van de uitkomst. In zoverre verschilt het bestuursprocesrecht aanzienlijk van bijvoorbeeld het civiele procesrecht, waarin vooruitlopen op de uitkomst van de bewijslevering verboden is (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7190, rov. 3.6). 3.3. De beslissing van de bestuursrechter om het verzoek tot het horen van de door verzoeker meegenomen getuige af te wijzen is een procedurele beslissing. Het is de wrakingskamer duidelijk dat verzoeker het hiermee niet eens is en dat hij zich evenmin kan vinden in de motivering hiervan.

Het is echter niet aan de wrakingskamer die beslissing inhoudelijk te toetsen, nu een wrakingsverzoek niet is bedoeld als rechtsmiddel tegen de inhoud van zo'n beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter, die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel, belast is met de behandeling van de zaak. 3.4. Een procedurele beslissing kan slechts leiden tot toewijzing van een wrakingsverzoek als hieruit blijkt van vooringenomenheid van de rechter die deze beslissing heeft genomen. Dit is alleen het geval indien de rechter een procedurele beslissing heeft genomen die zo onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid van de rechter is ingegeven.

Hetzelfde geldt voor de motivering van een dergelijke beslissing. Er bestaat alleen dan een grond voor wraking indien deze motivering in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt onmiskenbaar dat het om een uitzonderlijk geval moet gaan. 3.5. Van een dergelijk uitzonderlijk geval is hier naar het oordeel van de wrakingskamer geen sprake.

Bij de beoordeling van de vraag of de beslissing en de motivering van een rechter niet anders dan door vooringenomenheid kan/kunnen zijn ingegeven, moet immers worden betrokken binnen welk juridisch kader de bewuste rechter moest opereren. Voor de bestuursrechter gelden specifieke regels met betrekking tot het passeren van bewijsaanbiedingen door het horen van getuigen, zoals hierboven onder 3.2. kort uiteengezet. Het oordeel van de bestuursrechter is in lijn met dit kader, te meer daar de bestuursrechter in zijn reactie op het wrakingsverzoek aanvullend en onweersproken heeft betoogd dat bij beroepschrift van 18 juli 2019 van de aangekondigde getuige door middel van een productie al een schriftelijke verklaring was ingebracht. 3.6.

Het voorgaande brengt mee dat uit de beslissing van de bestuursrechter en de motivering daarvan om verzoeker niet toe te laten de in de pleitnota aangekondigde en meegebrachte getuige ter zitting aanvullend te laten verklaren, niet kan worden afgeleid dat de bestuursrechter hiermee is vooruitgelopen op de inhoudelijke beoordeling van de zaak, noch heeft hij hiermee op enige wijze de schijn van partijdigheid, dan wel vooringenomenheid jegens verzoeker gewekt. Ook anderszins is de wrakingskamer niet gebleken van vooringenomenheid van de bestuursrechter jegens verzoeker. 3.7.

Uit het voorgaande volgt dat het wrakingsverzoek zal worden afgewezen.

4De beslissing

De wrakingskamer 4.1. wijst het verzoek tot wraking af; 4.2. bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek; 4.3. beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan: • de verzoeker p/a zijn gemachtigde mr. A. Tamas; • verweerder in de hoofdzaak; • de bestuursrechter. Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. Krans, M.J. Alt-van Endt en M. Nijenhuis, in tegenwoordigheid van de griffier mr. E. Noorlander en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2020. de griffier de voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.