Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:5480 ECLI:NL:RBDHA:2020:5480 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:5480 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:5480
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: NL20.11162 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. P.J.J. van de Kerkhof), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman). Procesverloop Verweerder heeft op 26 april 2020 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd en partijen hebben hun reacties ingezonden. De rechtbank heeft het vooronderzoek gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Het onderzoek is gesloten op 2 juni 2020. Overwegingen 1. Gelet op de inhoud van het dossier en de door partijen overgelegde stukken acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht om zonder zitting uitspraak te kunnen doen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:5480 · Rechtbank Den Haag: Eiser voert aan dat er al drie vluchten zijn geannuleerd en dat er daarom geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn. Daarnaast stelt eiser dat verweerder niet voldoende voortvarend handelt aan de uitzetting. Met mogelijkheden voor vertrek langs een andere weg (met een chartervlucht) wordt door verweerder niets gedaan, aldus eiser.

Keywords

AI generated
extension of therapeutic measures continuation of enforcement continuation of detention periodic review of detention reasonableness of removal execution administrative order with continuing effect

Cited Case Law

AI generated
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: NL20.11162 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. P.J.J. van de Kerkhof), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman). Procesverloop Verweerder heeft op 26 april 2020 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd en partijen hebben hun reacties ingezonden. De rechtbank heeft het vooronderzoek gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Het onderzoek is gesloten op 2 juni 2020. Overwegingen 1. Gelet op de inhoud van het dossier en de door partijen overgelegde stukken acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht om zonder zitting uitspraak te kunnen doen.

2. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 20 mei 2020 (in de zaak NL20.10889) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 19 mei 2020) de maatregel van bewaring rechtmatig is.

4. Eiser voert aan dat er al drie vluchten zijn geannuleerd en dat er daarom geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn. Daarnaast stelt eiser dat verweerder niet voldoende voortvarend handelt aan de uitzetting. Met mogelijkheden voor vertrek langs een andere weg (met een chartervlucht) wordt door verweerder niets gedaan, aldus eiser.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Uit de uitspraak van de Afdeling van 29 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1141) over zicht op uitzetting in bewaringszaken gedurende de maatregelen die wereldwijd door overheden getroffen zijn wegens de uitbraak van het coronavirus, volgt dat een gesloten luchtruim op het moment van de uitspraak nog een tijdelijke belemmering was. De rechtbank ziet nu geen aanleiding voor een ander oordeel. Dat de voor eiser op 23 mei 2020 geboekte vlucht naar Oekraïne opnieuw is geannuleerd, kennelijk in verband met het coronavirus, betekent dan ook niet dat uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt.

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat voor eiser een nieuwe vlucht is geboekt voor 1 juli 2020. Niet gezegd kan worden dat al duidelijk is dat deze vlucht zal worden geannuleerd en dat thans moet worden geconcludeerd dat uitzetting niet binnen een redelijke termijn zal kunnen plaatsvinden. De rechtbank wijst er in dit verband op dat er inmiddels enig vooruitzicht is op de opheffing van de aan het coronavirus gerelateerde feitelijke uitzettingsbelemmeringen, gelet op de versoepeling van de beperkingen die door diverse landen al zijn doorgevoerd.

7. Uit de voortgangsgegevens blijkt dat verweerder vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd en voorts dat verweerder na de annulering van de vlucht van 23 mei 2020 direct een nieuwe vlucht heeft geboekt voor eiser, namelijk voor 1 juli 2020. Verweerder heeft aangegeven dat dit de eerstvolgende mogelijkheid voor een vlucht naar Kiev is. Nu eiser zijn stelling dat hij eerder langs een andere weg (met een chartervlucht) zou kunnen vertrekken, niet nader heeft onderbouwd, kan niet worden gezegd dat verweerder in dit verband met onvoldoende voortvarendheid aan de uitzetting van eiser werkt.

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. van Marle, rechter, in aanwezigheid vanH.J. Renders, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: 3 juni 2020 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.