Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:5432 ECLI:NL:RBDHA:2020:5432 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:5432 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:5432
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.5857 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. D.W. Beemers), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen). Procesverloop Bij besluit van 5 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Legislator headnote

AI generated

artikel 3:46 van de Awb, artikel 3 van het EVRM; ECLI:NL:RBDHA:2020:5432 · Rechtbank Den Haag: Verweerder is ten onrechte niet nagegaan wat de gevolgen voor de toegang tot de opvang en voorzieningen voor eiser zijn bij terugkeer naar Italië. Omdat verweerder alleen heeft gesteld dat dit geen aanleiding geeft voor toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening en niet gemotiveerd op dit standpunt is ingegaan, is sprake van strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Keywords

AI generated
deportation despite health issues Roma asylum application post-flight political activities psychiatric confinement asylum-relevant persecution case of hardship

Cited Legislation

AI generated
artikel 3:46 van de Awb
Omdat verweerder alleen heeft gesteld dat dit geen aanleiding geeft voor toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening en niet gemotiveerd op dit standpunt is ingegaan, is sprake van strijd met artikel 3:46 van de Awb.
artikel 3 van het EVRM

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2020:986
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, 2.
ECLI:NL:RVS:2018:4131
Bij deze uitspraak is een persbericht uitgebracht.
ECLI:NL:RVS:2019:1861
201809552/1/V3. Datum uitspraak: 12 juni 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 22 november 2018 in zaak nr. NL18.20043 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 22 oktober 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2019:2957
201900865/1/V3. Datum uitspraak: 28 augustus 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 22 januari 2019 in zaak nr. NL18.23331 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 4 december 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2020:987
201907435/1/V1. Datum uitspraak: 8 april 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling] mede voor haar minderjarige kind, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 oktober 2019 in zaak nr. NL19.21436 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 10 september 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2020:1032
202001915/1/V1. Datum uitspraak: 8 april 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 18 maart 2020 in zaak nr. NL20.4526 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 19 februari 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.5857 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. D.W. Beemers), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen). Procesverloop Bij besluit van 5 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen L. Pomper. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard. Eiser voert aan dat verweerder ten aanzien van Italië ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser is extra kwetsbaar vanwege psychische klachten. Ook uit hij zich suïcidaal. Eiser kan zijn psychische klachten niet onderbouwen met medische stukken en beroept zich in dit verband op bewijsnood. Vanwege de maatregelen in verband met het coronavirus kan hij nog niet bij een arts terecht. Eiser voert verder aan dat hem in Italië opvang en medische zorg is onthouden.

Na overdracht aan Italië zal hij dan ook opnieuw zonder voorzieningen op straat belanden. Dit maakt dat hij bij overdracht een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) dan wel artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Nederland dient de behandeling van zijn asielaanvraag daarom aan zich te trekken. Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst eiser op een rapport van SFH/OSAR, van 20 januari 2020.

Eiser voert daarbij aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat het rapport geen ander beeld geeft dan de situatie waarover de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (ABRvS) reeds over heeft geoordeeld. Verweerder heeft nagelaten concreet aan te geven welke informatie uit het rapport waar eiser een beroep op heeft gedaan al eerder aan bod is gekomen en welke informatie vergelijkbaar is met de informatie uit een periode die reeds is beoordeeld door de ABRvS. Eiser wijst in dit verband op pagina 86 van het rapport, waarin wordt ingegaan op de problemen ten aanzien van toegang tot medische voorzieningen.

Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd en ondeugdelijk voorbereid. Eiser wijst verder in dit verband op een uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 4 mei 2020.1 Eiser stelt zich verder op het standpunt dat uit de uitspraak van de ABRvS van 8 april 20202 niet blijkt hoe actueel de informatie is die aan deze uitspraak ten grondslag ligt. Eiser kan niet worden overgedragen aan Italië vanwege het coronavirus, te meer omdat de coronacrisis de kwetsbaren in Italië het hardst raakt. Ter onderbouwing hiervan wijst eiser op een artikel van The New Humanitarian, van 16 maart 2020, 'How coronavirus hits migrants and asylum seekers in Italy'.

Verweerder is ten onrechte niet nagegaan wat de gevolgen voor de toegang tot de opvang en voorzieningen voor eiser zijn bij terugkeer naar Italië. Omdat verweerder alleen heeft gesteld dat dit geen aanleiding geeft voor toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening en niet gemotiveerd op dit standpunt is ingegaan, is sprake van strijd met artikel 3:46 van de Awb.

3. De rechtbank overweegt als volgt. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Italië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hier niet in geslaagd.

4. Eiser heeft geen informatie overgelegd die aanleiding geeft voor het oordeel dat in Italië sprake is systematische tekortkomingen in het Italiaanse asiel- en opvangsysteem. Zoals verweerder in het bestreden besluit terecht heeft overwogen, heeft de ABRvS in haar uitspraak van 19 december 20183 geoordeeld dat geen sprake is van een zodanige structurele verslechtering van de opvangomstandigheden in Italië dat Dublinclaimanten na overdracht aan Italië een reëel risico lopen op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM dan wel artikel 4 van het Handvest.

De ABRvS heeft dit oordeel daarna meerdere keren herhaald.4 Verder heeft de ABRvS in de uitspraak van 8 april 20205 overwogen dat ook het rapport van SFH/OSAR van januari 2020 geen wezenlijke wijzigingen laat zien ten opzichte van eerdere rapporten die door de ABRvS zijn beoordeeld. De rechtbank volgt de stelling van eiser niet dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende is ingegaan op deze punten. Daarnaast heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet onderbouwd of 1. NL20.8146 en NL20.8149, niet gepubliceerd. 2 ECLI:NL:RVS:2020:986 3 ECLI:NL:RVS:2018:4131 4 De rechtbank wijst op bijvoorbeeld de uitspraken van 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1861), van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2957) en van 8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:986 en ECLI:NL:RVS:2020:987). 5 ECLI:NL:RVS:2020:986 een begin van bewijs geleverd dat Italië door de verspreiding van het coronavirus niet meer aan zijn internationale verplichtingen kan voldoen.

5. De rechtbank overweegt verder dat ook uit het persoonlijk relaas van eiser niet kan worden afgeleid dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft zijn stellingen met betrekking tot het verkrijgen van toegang tot opvang en medische zorg onvoldoende onderbouwd. Van eiser mag bovendien worden verwacht dat hij zich bij voorkomende problemen wendt tot de daartoe aangewezen instanties of (hogere) autoriteiten in Italië. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen in zijn geval niet mogelijk, uiterst moeilijk of zinloos is.

Ten aanzien van de medische situatie van eiser overweegt de rechtbank dat eiser geen medische stukken heeft overgelegd. Er is dan ook niet gebleken dat eiser onder behandeling staat. Ook is niet gebleken dat, mocht eiser medische behandeling nodig hebben, Nederland de meest aangewezen lidstaat is om hem te behandelen. De rechtbank overweegt dat de huidige maatregel vanwege de uitbraak van het coronavirus het verkrijgen van bewijsstukken lastig maakt, maar acht van belang dat eiser ook geen begin van bewijs heeft geleverd ten aanzien van zijn psychische gesteldheid.

Als uitgangspunt geldt bovendien dat in Italië de medische voorzieningen in het algemeen vergelijkbaar zijn met die in de andere lidstaten en dat het aan eiser is om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat dit uitgangspunt in zijn geval niet opgaat. Eiser is hierin niet geslaagd. Daar komt nog bij dat eiser zich ook bij voorkomende problemen met betrekking tot toegang tot medische zorg dient te wenden tot de daartoe geëigende instanties en de (hogere) autoriteiten om zich te beklagen. Niet gebleken is dat die mogelijkheid er voor eiser niet is.

De beroepsgrond slaagt niet.

6. Voor zover de gronden gericht zijn op de positie van kwetsbaren in Italië overweegt de rechtbank dat op grond van het voorgaande ten aanzien van eiser niet is gebleken dat hij een kwetsbaar persoon is. Ten aanzien van de uitspraak waar eiser naar heeft verwezen, van de voorzieningenrechter van 4 mei 2020, is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van vergelijkbare omstandigheden als in voornoemde uitspraak. Anders dan in die uitspraak, is bij eiser geen sprake van kwetsbaarheid in de zin van het arrest Tarakhel.

7. Verder overweegt de rechtbank dat de door eiser genoemde omstandigheid dat de overdracht op dit moment ten gevolge van de maatregelen die zijn getroffen vanwege het coronavirus niet kan worden uitgevoerd een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel is. Dit maakt de vaststelling van Italië als verantwoordelijke lidstaat niet onrechtmatig. Het staat er niet aan in de weg dat, als het overdrachtsbeletsel is opgeheven, de vreemdeling in beginsel alsnog kan worden overgedragen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de ABRvS van 8 april 2020.6 8.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt mogen stellen dat ervan kan worden uitgegaan dat Italië de verplichtingen zoals vastgelegd in het Vluchtelingenverdrag, de richtlijnen, het EVRM en het Handvest jegens eiser niet zal schenden. Verweerder heeft zich in de bestreden besluiten in redelijkheid op het standpunt gesteld dat eiser geen bijzondere individuele omstandigheid naar voren heeft gebracht op grond waarvan verweerder de aanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich had moeten 6 ECLI:NL:RVS:2020:1032. trekken.

Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit voldoende gemotiveerd en zorgvuldig tot stand gekomen. De beroepsgronden slagen niet.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Zwijnenberg, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken. De uitspraak is bekendgemaakt op: 11 juni 2020 Documentcode: DSR11851529 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.