Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:4981 ECLI:NL:RBDHA:2020:4981 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:4981 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:4981
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.10974 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. H.A. Limonard), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S. De Vita). Procesverloop Bij besluit van 9 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:4981 · Rechtbank Den Haag: In hetgeen eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is of dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. De aanvraag voor afgifte van een lp is nog in onderzoek bij de Nigeriaanse autoriteiten. Verweerder heeft bij deze autoriteiten over de afgifte van een lp onlangs op 20 mei 2020 gerappelleerd. Niet uitgesloten is dat ten behoeve van eiser een lp zal worden verstrekt. Ook geldt dat verweerder voor de afgifte van de lp afhankelijk is van de Nigeriaanse autoriteiten en daar in beperkte mate invloed op heeft.

Keywords

AI generated
detention pending deportation stay of removal expulsion from housing ground for detention deportation despite health issues unlawful stay

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2020:1175
202002128/1/V3. Datum uitspraak: 6 mei 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 25 maart 2020 in zaak nr. NL20.6330 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 9 maart 2020 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Bij uitspraak van 25 maart 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2015:674
201408880/1/V3 Datum uitspraak: 23 februari 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 30 oktober 2014 in zaak nr. 14/23640 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 14 oktober 2014 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
ECLI:NL:RVS:2015:1309
201502024/1/V3. Datum uitspraak: 10 april 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 5 maart 2015 in zaak nr. 15/2876 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 9 februari 2015 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld (hierna: de maatregel van bewaring).
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.10974 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. H.A. Limonard), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S. De Vita). Procesverloop Bij besluit van 9 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Dit beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 25 maart 20201 is het beroep van eiser gericht tegen de maatregel van bewaring ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 6 mei 20202 heeft van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) het hoger beroep van eiser tegen deze uitspraak gegrond verklaard. De zaak is voor verdere behandeling terugverwezen naar deze rechtbank en zittingsplaats. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2020.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen K.S. Hathie-Akkal. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft ter zitting het onderzoek geschorst voor het uitwisselen van nadere stukken. Verweerder heeft op 2 juni 2020 een nader stuk overgelegd. Eiser heeft hier op 3 juni 2020 gereageerd. De rechtbank heeft dezelfde dag het onderzoek gesloten. 1ECLI:NL:RBMNE:2020:1154. 2 ECLI:NL:RVS:2020:1175. Overwegingen 1. Eiser stelt dat hij de Nigeriaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [2001] .

Het zicht op verwijdering en het voortvarendheidsvereiste 2. Eiser voert aan dat zicht op verwijdering naar Nigeria binnen een redelijke termijn ontbreekt. In verband met de coronacrisis zijn de luchthavens van Nigeria gesloten. Daarnaast hebben de Nigeriaanse autoriteiten nog geen vervangend reisdocument (lp) voor hem afgegeven, terwijl verweerder sinds 7 maart 2019 met vaste regelmaat rappelleert. Weliswaar is hij op 12 maart 2020 in persoon gepresenteerd bij de Nigeriaanse autoriteiten, maar verweerder heeft daar ten onrechte geen afspraken gemaakt over de voortgang van de lp-aanvraag.

Gelet daarop handelt verweerder onvoldoende voortvarend, aldus eiser.

3. In hetgeen eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is of dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. De aanvraag voor afgifte van een lp is nog in onderzoek bij de Nigeriaanse autoriteiten. Verweerder heeft bij deze autoriteiten over de afgifte van een lp onlangs op 20 mei 2020 gerappelleerd. Niet uitgesloten is dat ten behoeve van eiser een lp zal worden verstrekt. Ook geldt dat verweerder voor de afgifte van de lp afhankelijk is van de Nigeriaanse autoriteiten en daar in beperkte mate invloed op heeft.

Voorts is van belang dat op eiser de rechtsplicht rust Nederland te verlaten. Uit deze plicht vloeit voort dat eiser volledige en actieve medewerking dient te verlenen aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit. Zo kan zijn terugkeer naar zijn land van herkomst of enig ander land waar zijn toelating is gewaarborgd, worden bewerkstelligt. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser alle hem ten dienste staande mogelijkheden heeft benut om invulling te geven aan zijn medewerkingsplicht. Verder volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat de sluiting van het luchtruim een tijdelijke belemmering is, die niet meebrengt dat het zicht op verwijdering naar Nigeria ontbreekt.

De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van 29 april 2020 van de ABRvS.3 Bovendien is het boeken van een vlucht voor eiser op dit moment niet orde, omdat zijn lp-procedure nog loopt en hij niet in bezit is van een reisdocumenten. De beroepsgrond slaagt daarom niet. Lichter middel 4. Eiser voert verder aan dat de bewaring, gelet op zijn psychische gesteldheid, onevenredig bezwarend is. Gelet daarop is hij van mening dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel.

5. De rechtbank moet beoordelen of verweerder terecht geen lichter middel heeft gekozen dan de inbewaringstelling. Verweerder mag daarbij niet alleen verwijzen naar de bewaringsgronden, maar moet in de maatregel specifiek motiveren waarom hij de bewaring noodzakelijk vindt. Daarbij moet verweerder ook ingaan op persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Dit is vaste rechtspraak.4 Dat heeft verweerder in deze zaak gedaan en verweerder hoefde geen lichter middel toe te passen. Hierbij acht de rechtbank van belang 3ECLI:NL:RVS:2020:1141. 4 Onder meer de uitspraken van de ABRvS van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en van 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309). dat verweerder eiser enige tijd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) Veldzicht heeft geplaatst.

Verweerder heeft zodoende zorgvuldig gehandeld en voldoende oog gehad voor de psychische gesteldheid van eiser. Verder heeft eiser niet met stukken onderbouwd dat hij op dit moment detentieongeschikt is. Daarnaast is ook in het detentiecentrum afdoende zorg aanwezig. De coronamaatregelen die door de Dienst Justitiële Inrichtingen in het detentiecentrum zijn genomen brengen daar geen verandering in.5 Ook blijkt uit de onbestreden gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen een risico op onderduiken. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht overwogen dat een lichter middel niet zal leiden tot het zelfstandig vertrek van eiser.

De beroepsgrond slaagt daarom niet. Conclusie 6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier. 5 https://www.dji.nl/over-dji/coronavirus/index.aspx Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: 04 juni 2020 Documentcode: [documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.