Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:4518 ECLI:NL:RBDHA:2020:4518 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:4518 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:4518
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL20.8380 V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser (gemachtigde: mr. P.H. Hillen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S. Jalouqa). Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 1 april 2020 (het bestreden besluit). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:4518 · Rechtbank Den Haag: P.H. Hillen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S. Jalouqa). Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 1 april 2020 (het bestreden besluit). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Keywords

AI generated
Roma asylum application principle of non-refoulement deportation despite health issues asylum for Eritrean nationals entry and travel ban immigration and asylum policy

Cited Case Law

AI generated
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL20.8380 V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser (gemachtigde: mr. P.H. Hillen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S. Jalouqa). Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 1 april 2020 (het bestreden besluit). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Overwegingen Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Gambiaanse nationaliteit. Op 14 december 2019 heeft hij een asielaanvraag ingediend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder heeft een terugnameverzoek gedaan bij Italië. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Italië vaststaat. Eiser betoogt dat verweerder de behandeling van zijn asielaanvraag aan zich had moeten trekken. Het had voor verweerder duidelijk moeten zijn dat er geen reële mogelijkheid bestaat om tijdig eisers overdracht naar Italië te realiseren, gelet op de huidige opschorting van overdrachten vanwege het Corona-virus en de grote hoeveelheid vreemdelingen die aan Italië dienen te worden overgedragen.

Daarnaast stelt eiser dat er een reëel risico bestaat dat hij na overdracht aan Italië opnieuw onderworpen zal worden aan een vrijheidsontnemende straf of maatregel en dat hij tijdens deze detentie een verhoogd risico loopt op besmetting met het Corona-virus. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat eiser op dit moment niet kan worden overgedragen aan Italië een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel is. Dit maakt de vaststelling van Italië als de verantwoordelijke lidstaat niet onrechtmatig en staat er niet aan in de weg dat, als dat beletsel is opgeheven, eiser in beginsel alsnog kan worden overgedragen.

Verweerder hoefde de aanvraag van eiser daarom niet in behandeling te nemen. Eisers betoog dat hij na overdracht gedetineerd zal worden en dan een verhoogd risico zal lopen op besmetting met het Corona-virus, is niet onderbouwd zodat de rechtbank daarin geen aanleiding ziet voor een ander oordeel.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1032).