Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:4395 ECLI:NL:RBDHA:2020:4395 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:4395 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:4395
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL20.4939 V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], eiseres (gemachtigde: mr. K. Logtenberg), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R. Hopman). Procesverloop Bij besluit van 24 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De mondelinge behandeling van het beroep heeft met behulp van een beeldverbinding, samen met de behandeling van de zaak NL20.4940, plaatsgevonden op 8 mei 2020. Eiseres was aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk was aanwezig Z. Gawhary. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiseres stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum]. Zij heeft op 11 februari 2020 een asielaanvraag ingediend.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:4395 · Rechtbank Den Haag: Uit het Eurodac-onderzoek van 11 februari 2020 blijkt dat de Griekse autoriteiten op 16 september 2019 internationale bescherming hebben verleend aan eiseres. Het bestreden besluit dateert van 24 februari 2020. Nu de informatie van 11 februari 2020 voldoende actueel is en daaruit ook blijkt dat eiseres internationale bescherming geniet in Griekenland, is verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht afgegaan op de informatie uit dit Eurodac-onderzoek. Uit artikel 18, derde lid, van de Eurodac-verordening volgt dat op de autoriteiten van Griekenland de verplichting rust om de markering van de vreemdeling als persoon die internationale bescherming geniet te verwijderen uit het Eurodac-systeem als zijn status is ingetrokken of beëindigd.

Keywords

AI generated
asylum for Syrian family asylum application Turkish Kurd international protection asylum of Sri Lankan nationals visas, asylum, immigration, etc temporary protection for Ukrainians

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2015:2621
201500009/1/V3. Datum uitspraak: 6 augustus 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 december 2014 in zaak nr. 14/22066 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 23 september 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2018:1795
Bij deze uitspraak is een persbericht uitgebracht.
ECLI:NL:RVS:2016:2441
201604335/1/V3. Datum uitspraak: 1 september 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 7 juni 2016 in zaak nr. 16/10015 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 10 mei 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:RVS:2019:290
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, 2.
ECLI:NL:RVS:2019:4118
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, 2.
ECLI:NL:RVS:2020:1087
201904529/1/V3. Datum uitspraak: 22 april 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 5 juni 2019 in zaak nr. NL18.21022 in het geding tussen: [de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen, en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 8 november 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL20.4939 V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], eiseres (gemachtigde: mr. K. Logtenberg), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R. Hopman). Procesverloop Bij besluit van 24 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De mondelinge behandeling van het beroep heeft met behulp van een beeldverbinding, samen met de behandeling van de zaak NL20.4940, plaatsgevonden op 8 mei 2020. Eiseres was aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk was aanwezig Z. Gawhary. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiseres stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum]. Zij heeft op 11 februari 2020 een asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft deze asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres internationale bescherming geniet in Griekenland. Verweerder baseert zich daarbij op de gegevens verkregen uit Eurodac. Dit levert volgens verweerder voor eiseres een zodanige band op met Griekenland dat het redelijk is dat zij daarheen gaat.

3. Eiseres betwist allereerst dat Griekenland haar internationale bescherming heeft verleend. Eiseres stelt dat in Eurodac ten onrechte staat vermeld dat zij in Griekenland internationale bescherming geniet. Verweerder had volgens haar hierover navraag moeten doen bij de Griekse autoriteiten. Eiseres heeft nooit een verblijfsvergunning ontvangen. Het is ook ongeloofwaardig dat aan haar zo snel een verblijfsvergunning zou zijn verleend. Verder stelt eiseres dat verweerder ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiseres verwijst naar diverse stukken waaruit volgens haar volgt dat sprake is van een noodtoestand in Griekenland.

Daarnaast voert eiseres aan dat zij zich niet kan wenden tot de Griekse autoriteiten voor onderdak, inkomen en medische zorg. Eiseres stelt dat zij als alleenstaande vrouw met kinderen moet worden aangemerkt als bijzonder kwetsbare vreemdeling als bedoeld in het Ibrahim-arrest. Zij werd in Griekenland lastig gevallen door mannen. Daarnaast is er veel geweld tegen migranten in Griekenland. De familie van eiseres woont in Nederland en heeft hier een verblijfstatus. Haar kinderen verblijven nog in Syrië, maar eiseres wenst gezinshereniging. Dit is niet mogelijk in Griekenland.

Tot slot stelt eiseres dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten de belangen van de kinderen van eiseres te betrekken bij de besluitvorming.

4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat, als een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie erkend vluchteling is, dan wel een subsidiaire beschermingsstatus heeft, voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb. De vreemdeling heeft dan een zodanige band met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Verweerder mag in beginsel afgaan op informatie uit Eurodac dat een vreemdeling in een andere EU-lidstaat internationale bescherming geniet. Als deze informatie onvoldoende actueel is of onvoldoende verblijfsrechtelijke informatie over de vreemdeling geeft, moet verweerder nader onderzoek doen naar de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling bij terugkeer naar die andere lidstaat. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval heeft verweerder dus een vergewisplicht.

5. Uit het Eurodac-onderzoek van 11 februari 2020 blijkt dat de Griekse autoriteiten op 16 september 2019 internationale bescherming hebben verleend aan eiseres. Het bestreden besluit dateert van 24 februari 2020. Nu de informatie van 11 februari 2020 voldoende actueel is en daaruit ook blijkt dat eiseres internationale bescherming geniet in Griekenland, is verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht afgegaan op de informatie uit dit Eurodac-onderzoek. Uit artikel 18, derde lid, van de Eurodac-verordening volgt dat op de autoriteiten van Griekenland de verplichting rust om de markering van de vreemdeling als persoon die internationale bescherming geniet te verwijderen uit het Eurodac-systeem als zijn status is ingetrokken of beëindigd.

Eiseres heeft niet onderbouwd dat haar verblijfsstatus door de Griekse autoriteiten is ingetrokken, dan wel dat de vermelding ten onrechte in Eurodac staat geregistreerd. Verweerder heeft op zitting verwezen naar de notitie op de website van Asylum Information Database. Hieruit volgt dat aan personen die internationale bescherming genieten in Griekenland een verblijfsvergunning voor de duur van drie jaar wordt verleend. Gelet hierop mag verweerder er in dit geval vanuit gaan dat eiseres in Griekenland internationale bescherming geniet. Het argument dat de behandelduur van asielaanvragen in Griekenland gemiddeld genomen veel langer is dan in het geval van eiseres maakt niet dat verweerder op voorhand moest twijfelen aan de juistheid van de Eurodac-registratie.

6. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat verweerder in het geval van Griekenland in zijn algemeenheid mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In de door eiseres overgelegde informatie ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. Deze informatie ziet met name op de situatie van asielzoekers en niet op statushouders. Daarnaast geeft de informatie geen wezenlijk ander beeld dan waar de Afdeling al over heeft geoordeeld. De situatie in Griekenland voor statushouders is niet zo slecht dat sprake is van extreme armoede of ontberingen van eerste levensbehoeften en rechteloosheid waartegenover de Griekse autoriteiten onverschillig zouden staan. Van statushouders mag worden verwacht dat zij zelf in Griekenland de rechten die voortvloeien uit hun status effectueren.

7. Uit de verklaringen van eiseres volgt evenmin dat zij in Griekenland als statushoudster in een situatie van extreme ontberingen heeft verkeerd. Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat zij Griekenland heeft verlaten voordat er was beslist op haar asielaanvraag. Voor haar vertrek beschikte zij over woonruimte en kon zij zich staande houden. Dat de situatie in Griekenland minder gunstig is dan in Nederland, is onvoldoende om te zeggen dat van eiseres niet verlangd kan worden dat zij naar Griekenland gaat. Bij voorkomende problemen in Griekenland ligt het op de weg van eiseres om hulp en bescherming te vragen aan de (hogere) Griekse autoriteiten. Verweerder heeft in dat verband ter zitting nog gewezen op een Europees hulpfonds voor de ondersteuning van kwetsbare statushouders.

8. Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn om bijzondere kwetsbaarheid aan te nemen, zoals bedoeld in het arrest Ibrahim. Het feit dat eiseres een alleenstaande vrouw is leidt er op zichzelf niet toe dat zij zich niet staande kan houden en niet zelfstandig haar rechten kan effectueren in Griekenland. Eiseres loopt niet al daarom het reële risico om in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terecht te komen. Eiseres heeft geen bijzondere medische of andere individuele omstandigheden aangevoerd die daar toe zouden kunnen leiden. Verweerder heeft daarom voldoende gemotiveerd dat de eiseres bij terugkomst in Griekenland geen reëel risico loopt op schending van artikel 4 van het Handvest.

9. Voor zover eiseres stelt dat verweerder de belangen van de kinderen van eiseres onvoldoende heeft betrokken bij de besluitvorming, geldt dat deze kinderen in Syrië verblijven. Eiseres is dus terecht aangemerkt als een alleenstaande vrouw en niet als een alleenstaande moeder met kinderen. Daarnaast is niet gebleken dat Griekenland de Europese richtlijnen, waaronder ook de Gezinsherenigingsrichtlijn, niet naleeft. Eiseres kan dus ook in Griekenland verzoeken om gezinshereniging met haar kinderen.

10. Tot slot vormen de getroffen maatregelen in verband met de uitbraak van het corona-virus een tijdelijk beletsel voor overdracht aan Griekenland. Dit doet niets af aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Andel, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Onder meer Interview:

What’s Happening to Refugees in Greece van 6 maart 2020 en Greece: Grant Asylum Access to New Arrivals van 20 maart 2020, www.hrw.org. Bijvoorbeeld de uitspraken van 6 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2621 en van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1795. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Vreemdelingenbesluit. Zie uitspraken van de Afdeling van 1 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2441 en 31 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:290. https://www.asylumineurope.org/reports/country/greece/content-international-protection/status-and-residence/residence-permit.

Bijvoorbeeld de uitspaken van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1795, van 15 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019.2384, en van 6 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4118. FEAD, teba.eiead.gr. Ibrahim tegen Duitsland, arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:219. Zie de uitspraken van de Afdeling van 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1087 en ECLI:NL:RVS:2020:1102. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Richtlijn 2003/86/EU.