Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:4186 ECLI:NL:RBDHA:2020:4186 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:4186 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:4186
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank DEN Haag Bestuursrecht zaaknummer: AWB 19/6123 uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 april 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening van [verzoekster] , verzoekster, V-nummer [V-nummer] tegen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. ProcesverloopBij besluit van 16 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’, in het kader van de regeling ‘zoekjaar hoogopgeleiden’ afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:81 van de Awb; ECLI:NL:RBDHA:2020:4186 · Rechtbank Den Haag: Bij besluit van 2 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster niet-ontvankelijk verklaard. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Keywords

AI generated
related proceedings procedural requirement urgent preliminary ruling procedure lack of prosecutorial standing reopening of proceedings in absentia discontinuation of proceedings

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:81 van de Awb
Nu niet langer wordt voldaan aan het in artikel 8:81 van de Awb neergelegde connexiteitsvereiste, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank DEN Haag Bestuursrecht zaaknummer: AWB 19/6123 uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 april 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening van [verzoekster] , verzoekster, V-nummer [V-nummer] tegen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. ProcesverloopBij besluit van 16 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’, in het kader van de regeling ‘zoekjaar hoogopgeleiden’ afgewezen.

Bij besluit van 2 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster niet-ontvankelijk verklaard. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Artikel 8:83, derde lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

2. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken. Bij uitspraak van vandaag, in de procedure met zaaknummer AWB 19/6036, heeft de rechtbank het beroep van verzoekster ongegrond verklaard.

3. Nu niet langer wordt voldaan aan het in artikel 8:81 van de Awb neergelegde connexiteitsvereiste, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter van de rechtbank verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.J.P. Bosman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt , griffier. Deze uitspraak is gedaan op 30 april 2020. griffier voorzieningenrechter Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld