Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:4149 ECLI:NL:RBDHA:2020:4149 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:4149 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:4149
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: NL20.7404 (beroep) NL20.7405 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. V. Senczuk), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 23 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBDHA:2020:4149 · Rechtbank Den Haag: Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek op 20 februari 2020 aanvaard.

Keywords

AI generated
unworthiness of asylum unreasonableness of return to Afghanistan asylum of Sri Lankan nationals Iraqi asylum application compensation of refugees expatriation and foreign residence allowances

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Case Law

AI generated
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: NL20.7404 (beroep) NL20.7405 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. V. Senczuk), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 23 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en tegelijkertijd gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is omdat hij kennelijk onbevoegd is of het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

2. Na kennis genomen te hebben van de stukken ziet de rechtbank in deze procedure aanleiding om met toepassing van deze bepaling uitspraak te doen. Zij overweegt hiertoe als volgt.

3. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek op 20 februari 2020 aanvaard.

4. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), onder meer van 22 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:183), blijkt dat, indien de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder contact te onderhouden met zijn gemachtigde, de conclusie gerechtvaardigd is dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming hier te lande. In dat geval heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep, aldus de Afdeling. Dit uitgangspunt is recent bevestigd door de Afdeling in de uitspraak van 22 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:579).

5. In het bestreden besluit heeft verweerder gesteld dat uit informatie van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers en de Vreemdelingenpolitie Noord-Nederland is gebleken dat eiser op of omstreeks 3 maart 2020 met onbekende bestemming is vertrokken zonder de beslissing op de aanvraag wenst af te wachten.

6. Naar aanleiding van deze stelling van verweerder heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser op 28 april 2020 om een reactie gevraagd. De gemachtigde van eiser heeft op 30 april 2020 als reactie gegeven dat de stelling van verweerder inderdaad is dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Verweerders aanname dat eiser daarmee ook te kennen heeft gegeven dat hij zijn procedure hier te lande niet wenst af te wachten, volgt eiser echter niet.

7. De rechtbank stelt vast dat niet is betwist dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Nu de gemachtigde van eiser niet heeft gesteld dan wel aannemelijk heeft gemaakt dat hij nog contact met eiser onderhoudt, is de rechtbank van oordeel dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming en dus geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij de beoordeling van zijn beroep.

8. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Omdat de rechtbank op het beroep heeft beslist, is er geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep kennelijk niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Mac Donald, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.H. Gall, griffier. Deze uitspraak is gedaan op: Als gevolg van de maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak nog niet uitgesproken op en openbare uitsprakenzitting. Zodra het uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.