ECLI:NL:RBDHA:2020:3840 · Rechtbank Den Haag
Legislator summary
AI generatedRECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: AWB 19/9605 uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 april 2020 in de zaak tussen [verzoeker] , ook namens zijn minderjarige kind [minderjarige] , verzoeker V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A.C.M. Nederveen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A. van de Wal). Procesverloop Bij besluit van 19 november 2019 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, afgewezen. Verzoeker heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak te doen zonder zitting.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:RBDHA:2020:3840 · Rechtbank Den Haag: Bij brief van 12 maart 2020 heeft verweerder medegedeeld dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorziening.
Keywords
AI generatedRelated Decisions
AI generatedFull text
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: AWB 19/9605 uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 april 2020 in de zaak tussen [verzoeker] , ook namens zijn minderjarige kind [minderjarige] , verzoeker V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A.C.M. Nederveen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A. van de Wal). Procesverloop Bij besluit van 19 november 2019 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, afgewezen. Verzoeker heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak te doen zonder zitting.
2. Bij brief van 12 maart 2020 heeft verweerder medegedeeld dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorziening.
3. Omdat daarmee tussen partijen niet langer in geschil is dat moet worden afgezien van uitzetting van verzoeker, bestaat aanleiding om het verzoek toe te wijzen en uitzetting te verbieden tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist.
4. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).
5. Vanwege toewijzing van het verzoek bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Beslissing De voorzieningenrechter:- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;- verbiedt verweerder verzoeker uit Nederland te verwijderen tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 525,-;- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 174,- moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.P.M. Veerman-Timmer, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken. griffier voorzieningenrechter De griffier en de voorzieningenrechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.