Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:3827 ECLI:NL:RBDHA:2020:3827 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:3827 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:3827
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL20.7777 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser, geboren op [geboortedatum] , van Nigeriaanse nationaliteit, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. R.J. Schenkman), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 23 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Overwegingen 1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBDHA:2020:3827 · Rechtbank Den Haag: Daarbij overweegt de rechtbank, dat zolang de overdrachtstermijn als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening nog niet is verstreken en de omstandigheden dit toelaten, tot overdracht kan worden overgegaan.

Keywords

AI generated
principle of non-refoulement reception conditions situation in country of origin safe third country status tolerated stay residence permits

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2019:186
201802794/1/A3. Datum uitspraak: 23 januari 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te Leerdam, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 februari 2018 in zaak nr. 16/7971 in het geding tussen: [appellante] en de burgemeester van Leerdam. Procesverloop Bij besluit van 15 juli 2016 heeft de burgemeester van Leerdam een evenementenvergunning verleend aan Stichting Zomerfestival voor het Zomerfestival 2016. Bij besluit van 31 oktober 2016 heeft de burgemeester van Leerdam het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2019:2845
201901380/1/V3. Datum uitspraak: 22 augustus 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 februari 2019 in zaken nrs. NL19.980 en NL19.982 in het geding tussen: [de vreemdelingen] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluiten van 15 januari 2019 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2019:2957
201900865/1/V3. Datum uitspraak: 28 augustus 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 22 januari 2019 in zaak nr. NL18.23331 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 4 december 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2020:223
201908495/1/V1. Datum uitspraak: 23 januari 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 18 november 2019 in zaak nr. NL19.24735 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 16 oktober 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL20.7777 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser, geboren op [geboortedatum] , van Nigeriaanse nationaliteit, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. R.J. Schenkman), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 23 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Overwegingen 1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd, waarmee sinds 17 januari 2020 de verantwoordelijkheid van Italië vaststaat.

3. Eiser voert, onder herhaling en inlassing van de zienswijze van 20 januari 2020, in beroep het volgende aan. 3.1. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten aanzien van Italië ten onrechte is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ter onderbouwing verwijst hij naar het rapport van het OHCHR alsmede naar het AIDA Country Report van 16 april 2019. Daarnaast verwijst eiser op een recent persbericht van het SFH/OSAR van 21 januari 2020, waarin wordt concludeert dat Dublinclaimanten weinig kans hebben om toegang te krijgen tot adequate huisvesting. Tot slot merkt eiser op dat er vanwege het coronavirus niet wordt overgedragen aan Italië. In het bestreden besluit is geen aandacht besteed aan de uitbraak van het coronavirus. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig tot stand gekomen.

4. De rechtbank overweegt als volgt. 4.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Italië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Het oordeel zoals neergelegd in de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:186) heeft de ABRvS bij uitspraken van 22 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2845), 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2957) en recentelijk 23 januari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:223) herhaald. Dit betekent dat in rechte is vastgesteld dat er geen sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen.

Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Naar het oordeel van de rechtbank is hij hierin niet geslaagd. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat uit het rapport van 21 januari 2020 van de SFH/OSAR blijkt niet dat terugkerende Dublinclaimanten geen recht hebben op opvang in eerstelijns (CARA)- of tijdelijke (CAS) opvangcentra. Hoewel uit dit rapport zeker blijkt dat er tekortkomingen zijn, blijkt hieruit naar het oordeel van de rechtbank niet dat de situatie sinds voornoemde Afdelingsuitspraken beduidend is verslechterd, dan wel dat de ABRvS van een onjuiste voorstelling van zaken is uitgegaan.

De rechtbank merkt daarbij op dat het rapport deels berust op oudere bronnen, die door de ABRvS al bij zijn beoordeling zijn betrokken. Ten aanzien van de overige door eiser ingediende stukken is de rechtbank hetzelfde oordeel toegedaan. 4.2. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden in Italië als gevolg van het coronavirus, niet maken dat Italië niet langer verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. De maatregelen die in verband met het coronavirus zijn getroffen hebben naar het oordeel van de rechtbank thans een tijdelijk karakter.

Daarbij overweegt de rechtbank, dat zolang de overdrachtstermijn als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening nog niet is verstreken en de omstandigheden dit toelaten, tot overdracht kan worden overgegaan.

5. Het beroep is kennelijk ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van S.J. Versteeg, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.