Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:3818 ECLI:NL:RBDHA:2020:3818 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:3818 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:3818
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 19/4775 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2020 in de zaak tussen V-Field Agro-Tech B.V., verzoekster, (gemachtigde: mr. A. van Rosmalen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.S.M. Rietveld). Procesverloop Bij besluit van 1 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de erkenning van verzoekster als referent ingetrokken. Bij besluit van 29 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:75 van de Awb; ECLI:NL:RBDHA:2020:3818 · Rechtbank Den Haag: Voor de kosten die verzoekster stelt te hebben gemaakt voor het deskundigenrapport en de tolk als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, stelt de rechtbank vast dat verweerder ter zitting heeft meegedeeld dat bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar zal worden beoordeeld of deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder hierin te volgen. Op dit moment is niet te beoordelen of het deskundigenrapport een relevante bijdrage heeft geleverd aan de beantwoording van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag.

Keywords

AI generated
costs of expert opinion procedural costs party costs of attorney legal representation costs cost calculation appointed counsel fees

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht
Verzoekster heeft het beroep ingetrokken en de rechtbank op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht verweerder bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de proceskosten.
artikel 8:75 van de Awb

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2018:1423
201708371/1/V1. Datum uitspraak: 26 april 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 22 september 2017 in zaak nr. 16/15244 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 10 juli 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2018:1741
201702431/1/R1. Datum uitspraak: 6 juni 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante A] en [appellant B] (hierna: [appellante A] en [appellant B]), gevestigd onderscheidenlijk wonend te Balgoij, gemeente Wijchen, en de raad van de gemeente Wijchen, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 26 januari 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Herziening bestemmingsplan Buitengebied [locatie 1]" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellante A] en [appellant B] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend.
ECLI:NL:RVS:2018:518
201700428/1/A3. Datum uitspraak: 14 februari 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 december 2016 in zaak nr. 16/1752 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Procesverloop Bij besluit van 29 mei 2015 heeft de minister een verklaring van geen bezwaar (hierna: vgb) ten behoeve van [appellant] geweigerd. Bij besluit van 25 januari 2016, kenmerk 87ecbe38-or1-1.0, heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2018:1563
Er is op grond van medische en/of sociale omstandigheden sprake van een levensontwrichtende woonsituatie die alleen opgelost kan worden met (andere) zelfstandige huisvesting; van levensontwrichting is sprake wanneer de aanvrager (of een van de leden van het huishouden), in samenhang met ernstige woonproblemen, niet meer in staat is zelfstandig te functioneren. Een zelfstandige woning is in dat geval (een substantieel deel van) de oplossing. […] 3.3.2.2. Ernstige medische redenen Onder medische redenen waarom iemand dringend woonruimte nodig heeft wordt een woonsituatie verstaan die om medische redenen levensontwrichtend is voor één of meer leden van het huishouden.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 19/4775 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2020 in de zaak tussen V-Field Agro-Tech B.V., verzoekster, (gemachtigde: mr. A. van Rosmalen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.S.M. Rietveld). Procesverloop Bij besluit van 1 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de erkenning van verzoekster als referent ingetrokken. Bij besluit van 29 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft bij brief van 21 februari 2020 het bestreden besluit ingetrokken. Verzoekster heeft het beroep ingetrokken en de rechtbank op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht verweerder bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de proceskosten. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2020. Verzoekster is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen 1. Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten veroordelen, indien daarom tegelijk met de intrekking van het beroep is verzocht.

2. Bij brief van 21 februari 2020 heeft verweerder verzoekster medegedeeld het bestreden besluit in te trekken, dat hij opnieuw op het bezwaarschrift van 12 november 2018 zal beslissen en de proceskosten van verzoekster zal vergoeden, te weten € 525,- voor het indienen van het beroepschrift en € 174,- voor het griffierecht.

3. Verzoekster stelt dat verweerder haar ten onrechte € 174,- aan griffierecht vergoedt, nu zij € 345,- heeft moeten betalen. Verder stelt verzoekster dat verweerder de kosten moet vergoeden die zij heeft gemaakt voor het deskundigenrapport (€ 1.000,-) en voor de tolk (€ 80,-).

4. Voor de kosten die verzoekster stelt te hebben gemaakt voor het deskundigenrapport en de tolk als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, stelt de rechtbank vast dat verweerder ter zitting heeft meegedeeld dat bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar zal worden beoordeeld of deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder hierin te volgen. Op dit moment is niet te beoordelen of het deskundigenrapport een relevante bijdrage heeft geleverd aan de beantwoording van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag.

Daartoe dient in ieder geval een verband te bestaan tussen de ingeroepen deskundigheid en de specifieke vragen die in de procedure aan de orde zijn en die van invloed kunnen zijn op de uitkomst van het geschil. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 april 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1423) en 6 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1741). Daarbij betrekt de rechtbank dat verzoekster tegen dit nieuw te nemen besluit op bezwaar beroep kan instellen indien zij het niet eens is met verweerders standpunt over de vergoeding van de proceskosten.

Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 14 februari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:518) en 9 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1563).

5. De rechtbank stelt verder vast dat verzoekster een rechtspersoon is, waarvoor het griffierechttarief van € 345,- geldt, en zij als zodanig is aangemerkt. Dit blijkt uit de nota die verzoekster van de rechtbank heeft ontvangen. Op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb dient verweerder dit bedrag aan verzoekster te vergoeden.

6. Het bovenstaande maakt dat de rechtbank verweerder veroordeelt in het vergoeden van de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het beroep op dit moment redelijkerwijs heeft moeten maken en reeds door verweerder is toegezegd. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 525,-; - bepaalt dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht van € 345,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroes, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.