Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:3190 ECLI:NL:RBDHA:2020:3190 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:3190 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:3190
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 20/1662 uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 april 2020 in de zaak tussen [verzoeker 1] en [verzoeker 2] , te [woonplaats] , verzoekers(gemachtigde: mr. S. Karkache), en het college van burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder(gemachtigde: J.M. Stedelaar). Procesverloop Bij brief van 29 januari 2020 heeft verweerder verzoekers gevraagd om voor de afspraak van 5 februari 2020 een aantal in die brief met name genoemde stukken mee te nemen. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat wanneer verzoekers dit niet, of niet volledig doen, hun aanvraag om bijstand ingevolge de Participatiewet (Pw) niet zal worden behandeld.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:3190 · Rechtbank Den Haag: Verzoekers hebben tegen de brief van 29 januari 2020 bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter bij aparte brief van 26 februari 2020 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. De voorzieningenrechter doet in deze zaak op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Dat kan volgens deze bepaling onder meer indien het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is.

Keywords

AI generated
preliminary decision withdrawal of opposition insufficiently substantiated grievance urgent preliminary ruling procedure right to be heard decision not to raise objections
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 20/1662 uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 april 2020 in de zaak tussen [verzoeker 1] en [verzoeker 2] , te [woonplaats] , verzoekers(gemachtigde: mr. S. Karkache), en het college van burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder(gemachtigde: J.M. Stedelaar). Procesverloop Bij brief van 29 januari 2020 heeft verweerder verzoekers gevraagd om voor de afspraak van 5 februari 2020 een aantal in die brief met name genoemde stukken mee te nemen. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat wanneer verzoekers dit niet, of niet volledig doen, hun aanvraag om bijstand ingevolge de Participatiewet (Pw) niet zal worden behandeld.

Verzoekers hebben tegen de brief van 29 januari 2020 bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter bij aparte brief van 26 februari 2020 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. De voorzieningenrechter doet in deze zaak op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Dat kan volgens deze bepaling onder meer indien het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is.

2. Bezwaar en beroep ingevolge de Awb, en dus ook een verzoek om voorlopige voorziening, zijn alleen mogelijk indien sprake is van een besluit zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.3. Verzoekers vragen om een voorlopige voorziening naar aanleiding van verweerders brief van 29 januari 2020. Verzoekers hebben tegen deze brief bezwaar gemaakt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze brief geen besluit is. Verzoekers hebben een aanvraag om bijstand ingediend. Verweerder heeft hen in de brief van 29 januari 2020 gevraagd om hun aanvraag met een aantal met name genoemde stukken aan te vullen en deze mee te nemen naar de afspraak van 5 februari 2020. Verweerder heeft verzoekers ook geïnformeerd dat, indien zij dit niet, of niet volledig doen, hun aanvraag om bijstand niet zal worden behandeld. Verweerder heeft met de brief van 29 januari 2020 nog geen besluit op de aanvraag van verzoekers genomen. Deze brief is niet gericht op enig rechtsgevolg en daarom geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

4. Het bezwaar tegen de brief van 29 januari 2020 heeft geen enkele kans van slagen. Verweerder zal het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. Nu er nog geen sprake is van een besluit op de aanvraag om een bijstandsuitkering dat onderwerp kan zijn van heroverweging in een bezwaarprocedure, bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom als kennelijk ongegrond af.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is op 9 april 2020 gedaan door mr. C.J. Waterbolk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter de griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.