Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:2585 ECLI:NL:RBDHA:2020:2585 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:2585 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:2585
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL20.5253 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , eiser, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. A.G.P. de Boon ) en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs) Procesverloop Bij besluit van 26 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Legislator headnote

AI generated

artikel 3 EVRM; ECLI:NL:RBDHA:2020:2585 · Rechtbank Den Haag: De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het ligt daarom op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat in Italië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat eiser daar een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU Handvest of artikel 3 EVRM.

Keywords

AI generated
Roma asylum application asylum policy asylum for Eritrean nationals applicability of immigration law principle of non-refoulement international protection

Cited Legislation

AI generated
artikel 3 EVRM

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2018:4131
Bij deze uitspraak is een persbericht uitgebracht.
ECLI:NL:RVS:2019:1861
201809552/1/V3. Datum uitspraak: 12 juni 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 22 november 2018 in zaak nr. NL18.20043 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 22 oktober 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2019:2042
201901233/1/V3. Datum uitspraak: 27 juni 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 4 februari 2019 in zaak nr. NL18.5152 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 13 maart 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2019:2845
201901380/1/V3. Datum uitspraak: 22 augustus 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 februari 2019 in zaken nrs. NL19.980 en NL19.982 in het geding tussen: [de vreemdelingen] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluiten van 15 januari 2019 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL20.5253 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , eiser, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. A.G.P. de Boon ) en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs) Procesverloop Bij besluit van 26 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.5254, plaatsgevonden op 12 maart 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser is geboren op [geboortedatum eiser] en heeft de Gambiaanse nationaliteit. Op 14 november 2019 heeft hij de asielaanvraag ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat hij eerder op 3 januari 2019 in Frankrijk en op 4 juli 2015 in Italië verzoeken om internationale bescherming heeft ingediend.

Gelet op deze informatie heeft verweerder de autoriteiten van Italië op 7 januari 2020 verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (de Dublinverordening). Nu de Italiaanse autoriteiten niet binnen de hiervoor geldende termijn hebben gereageerd, staat daarmee sinds 22 januari 2020 de verantwoordelijkheid van Italië vast.

2. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat een andere lidstaat, namelijk Italië, verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiser.

3. Eiser voert aan dat verweerder ten opzichte van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Hieraan legt hij ten grondslag dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen en asielprocedure in Italië. Eiser vreest voor zijn leven en veiligheid in Italië. Nadat hij een negatieve beslissing op zijn asielaanvraag heeft ontvangen, heeft hij de opvang in Italië moeten verlaten. Hierdoor heeft hij in Italië in mensonterende omstandigheden moeten zien te overleven op straat in van afval gefabriceerde onderkomens.

Deze onderkomens waren erg gevaarlijk omdat daarin regelmatig brand ontstond, aldus eiser. Eiser heeft hierover niet geklaagd bij de Italiaanse autoriteiten omdat diezelfde autoriteiten ervoor hebben gezorgd dat hij in die situatie terecht is gekomen. Eiser heeft daarom geen vertrouwen in effectieve hulp en bescherming van de Italiaanse autoriteiten. Eiser betoogt tot slot dat er voldoende aanleiding voor verweerder zou moeten zijn geweest om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid dan wel om een nader onderzoek in te stellen naar de opvangvoorzieningen in Italië. 3.1.

De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het ligt daarom op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat in Italië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat eiser daar een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU Handvest of artikel 3 EVRM.

De rechtbank is van oordeel dat eiser hierin niet is geslaagd. 3.2. Daartoe verwijst de rechtbank naar de uitspraak van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4131. Daarin heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Italië terecht van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat. Verder heeft de Afdeling in die uitspraak geoordeeld dat niet aannemelijk is dat op dit moment sprake is van een zodanige structurele verslechtering van de opvangomstandigheden in Italië dat Dublinclaimanten een reëel risico lopen op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of artikel 4 van het EU Handvest.

Ook in latere uitspraken, zoals de uitspraken van 12 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1861, 27 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2042 en 22 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2845 heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Italië nog altijd terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De enkele niet nader onderbouwde stellingen van eiser inzake zijn verblijf in van afval gefabriceerde onderkomens is hiertoe onvoldoende. 3.3. De rechtbank is verder van oordeel is dat eiser bij voorkomende problemen in Italië zich kan wenden tot de (hogere) autoriteiten dan wel geëigende instanties.

Door eiser is niet aannemelijk gemaakt dat zij hem niet kunnen of willen helpen. 3.4. Gelet op het voorgaande is verweerder niet gehouden nader onderzoek te verrichten naar de opvangvoorzieningen in Italië. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

4. Voor zover hetgeen eiser heeft aangevoerd moet worden opgevat als een beroep op artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, overweegt de rechtbank als volgt. 4.1. Op grond van paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 maakt verweerder terughoudend gebruik van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening als Nederland daartoe op grond van in de verordening neergelegde criteria niet is verplicht. Verweerder gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen in ieder geval indien er concrete aanwijzingen zijn dat de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt of bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan die lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. 4.2.

Verweerder heeft in de door eiser aangevoerde omstandigheden geen bijzondere, individuele omstandigheden hoeven zien, die maken dat de overdracht van eiser aan Italië van een onevenredige hardheid getuigt. De Italiaanse autoriteiten hebben middels het fictieve claimakkoord gegarandeerd het verzoek om internationale bescherming van eiser in behandeling te nemen. Voor zover eiser zich erop beroept dat Italië in strijd handelt met de Opvangrichtlijn, Kwalificatierichtlijn en Procedurerichtlijn, stelt verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser hierover kan klagen bij de Italiaanse autoriteiten.

Niet is gebleken dat deze mogelijkheid voor eiser niet bestaat of dat eiser op voorhand geen dan wel onvoldoende bescherming kan inroepen. Ter zitting is verder door verweerder niet betwist aangevoerd dat vanwege de maatregelen inzake het Corona-virus op dit moment sprake is van een tijdelijke opschorting van alle overdrachten aan Italië in afwachting van berichtgeving van de Italiaanse autoriteiten. Verweerder heeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen aanleiding hoeven zien om het asielverzoek op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken. 4.3.

De beroepsgrond slaagt niet.

5. Voor zover eiser nog heeft verzocht om hetgeen hij in voorgaande stukken, met name de zienswijze, heeft aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen, kan dit niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Verweerder is hierop in het bestreden besluit immers gemotiveerd ingegaan. Eiser heeft met de enkele verwijzing in beroep naar de zienswijze niet duidelijk gemaakt op welke punten de motivering van het bestreden besluit volgens hem ontoereikend is.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Becker - Moerenhout, griffier. Deze uitspraak is openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.