Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:2434 ECLI:NL:RBDHA:2020:2434 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:2434 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:2434
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats RotterdamBestuursrecht zaaknummer: NL20.4988 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. A.A. Agayev), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.M. Sidler). Procesverloop Bij besluit van 24 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:2434 · Rechtbank Den Haag: Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hierin is eiser niet geslaagd. Het ongemotiveerde beroep van eiser ter zitting op AIDA-rapportages is daartoe onvoldoende. Bovendien heeft de Afdeling deze rapportages in de hiervoor genoemde uitspraken al in haar beoordeling betrokken. Ook heeft eiser met de enkele stelling dat hij in Italië lange tijd op straat heeft moeten doorbrengen en dat Italië geen opvang biedt aan asielzoekers als eiser, niet onderbouwd dat zijn overdracht strijdig is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van het Handvest van de Europese Unie.

Keywords

AI generated
Dublin transfer to Croatia Roma asylum application principle of non-refoulement deportation despite health issues asylum for Eritrean nationals Dublin Regulation

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2018:4131
Bij deze uitspraak is een persbericht uitgebracht.
ECLI:NL:RVS:2019:1395
201901525/1/V3. Datum uitspraak: 29 april 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 20 februari 2019 in zaak nr. NL 19.1206 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 17 januari 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2019:1861
201809552/1/V3. Datum uitspraak: 12 juni 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 22 november 2018 in zaak nr. NL18.20043 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 22 oktober 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2019:2845
201901380/1/V3. Datum uitspraak: 22 augustus 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 februari 2019 in zaken nrs. NL19.980 en NL19.982 in het geding tussen: [de vreemdelingen] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluiten van 15 januari 2019 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats RotterdamBestuursrecht zaaknummer: NL20.4988 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. A.A. Agayev), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.M. Sidler). Procesverloop Bij besluit van 24 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.4989, plaatsgevonden op 11 maart 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.

2. Eiser voert in beroep aan dat hij niet terug kan naar Italië, omdat hij daar lange tijd op straat heeft moeten doorbrengen en Italië geen degelijke opvang biedt aan asielzoekers als eiser. Verder voert eiser in beroep aan dat Italië vanwege het coronavirus niet in staat is om Dublinclaimanten op te nemen.

3. Uitgangspunt is dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Italië mag uitgaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in onder meer haar uitspraken van 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4131), 29 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1395), 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1861) en 22 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2845) heeft geoordeeld, met inachtneming van diverse rapporten en andere bronnen, mag verweerder ten aanzien van Italië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan. 3.1.

Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hierin is eiser niet geslaagd. Het ongemotiveerde beroep van eiser ter zitting op AIDA-rapportages is daartoe onvoldoende. Bovendien heeft de Afdeling deze rapportages in de hiervoor genoemde uitspraken al in haar beoordeling betrokken. Ook heeft eiser met de enkele stelling dat hij in Italië lange tijd op straat heeft moeten doorbrengen en dat Italië geen opvang biedt aan asielzoekers als eiser, niet onderbouwd dat zijn overdracht strijdig is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van het Handvest van de Europese Unie.

Bovendien kan eiser zich bij voorkomende problemen wenden tot de (hogere) Italiaanse autoriteiten. 3.2. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen aanleiding bestaat om het asielverzoek van eiser op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht aan zich te trekken. 4.1. Verweerder heeft op zitting te kennen gegeven dat er tijdelijk geen overdrachten plaatsvinden aan Italië in verband met het coronavirus. Zolang de overdrachtstermijn niet is verstreken en de omstandigheden dit toelaten, zal alsnog tot overdracht worden overgegaan.

In het geval dat eiser vanwege het coronavirus nog niet aan Italië kan worden overgedragen en de overdrachtstermijn wel is verstreken, zal de verantwoordelijkheid op Nederland overgaan. 4.2. De ter zitting ingenomen stelling dat eiser bij een ongegrondverklaring van zijn beroep geen aanspraak meer zou kunnen maken op opvang volgt de rechtbank niet. Zoals ook in het bestreden besluit is vermeld onder het kopje ‘rechtsgevolgen van deze beschikking’, heeft eiser rechtmatig verblijf in Nederland tot aan de feitelijke overdracht aan Italië. Dit volgt uit artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw.

Dit betekent dat hij op grond van artikel 3, derde lid, aanhef en onder p, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers tot de feitelijke overdracht aan Italië ook recht op opvang heeft.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. H.L. de Vries, griffier. Deze uitspraak is openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.