Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:2134 ECLI:NL:RBDHA:2020:2134 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:2134 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:2134
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL19.30467 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.E.P. Pijnenburg). Procesverloop Bij besluit van 12 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.30468, plaatsgevonden op 13 februari 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. A.K.E. van den Heuvel, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.K. Omar. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Nigeriaanse nationaliteit te bezitten. Hij heeft op 19 augustus 2019 een asielaanvraag ingediend in Nederland.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:2134 · Rechtbank Den Haag: Als uitgangspunt geldt dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit mag gaan dat Italië zijn internationale verplichtingen nakomt. Bij uitspraak van 19 december 2018 heeft de Afdeling geoordeeld dat, hoewel de algemene situatie en leefomstandigheden van asielzoekers in Italië bepaalde tekortkomingen kennen, verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In recentere uitspraken heeft de Afdeling dit oordeel herhaald. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat Italië zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van het EVRMof artikel 4 van het Handvest.

Keywords

AI generated
Nigerian asylum application immigration and asylum policy applicability of immigration law grounds for asylum removal entry into a country

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2018:4131
Bij deze uitspraak is een persbericht uitgebracht.
ECLI:NL:RVS:2019:1085
201901495/1/V3. Datum uitspraak: 8 april 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 15 februari 2019 in zaak nr. NL19.1832 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 25 januari 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2019:1861
201809552/1/V3. Datum uitspraak: 12 juni 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 22 november 2018 in zaak nr. NL18.20043 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 22 oktober 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2019:2042
201901233/1/V3. Datum uitspraak: 27 juni 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 4 februari 2019 in zaak nr. NL18.5152 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 13 maart 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2019:2845
201901380/1/V3. Datum uitspraak: 22 augustus 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 februari 2019 in zaken nrs. NL19.980 en NL19.982 in het geding tussen: [de vreemdelingen] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluiten van 15 januari 2019 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2020:223
201908495/1/V1. Datum uitspraak: 23 januari 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 18 november 2019 in zaak nr. NL19.24735 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 16 oktober 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL19.30467 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.E.P. Pijnenburg). Procesverloop Bij besluit van 12 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.30468, plaatsgevonden op 13 februari 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. A.K.E. van den Heuvel, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.K. Omar. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Nigeriaanse nationaliteit te bezitten. Hij heeft op 19 augustus 2019 een asielaanvraag ingediend in Nederland.

2. Verweerder heeft deze asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat Italië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling ervan. Eiser heeft eerder in Italië om asiel gevraagd. Verweerder heeft de Italiaanse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. Nu op dat verzoek niet tijdig is gereageerd, is Italië verantwoordelijk voor behandeling van de aanvraag.

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten opzichte van Italië niet langer uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarbij verwijst hij naar een nieuwsbericht van de Times of Malta van 20 november 2019, een rapport van de Europese Rekenkamer van 14 november 2019, een artikel van EuroNews van 22 augustus 2019 en een artikel van InfoMigrants van 19 augustus 2019. Tot slot wijst eiser op het recent verschenen rapport van SFH/OSAR van 21 januari 2020. De rechtbank overweegt als volgt.

4. Als uitgangspunt geldt dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit mag gaan dat Italië zijn internationale verplichtingen nakomt. Bij uitspraak van 19 december 2018 heeft de Afdeling geoordeeld dat, hoewel de algemene situatie en leefomstandigheden van asielzoekers in Italië bepaalde tekortkomingen kennen, verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In recentere uitspraken heeft de Afdeling dit oordeel herhaald. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat Italië zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van het EVRMof artikel 4 van het Handvest.

5. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat in Italië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de opvang of asielprocedure waardoor Italië zich tegenover asielzoekers niet langer aan de internationale verplichtingen houdt. Uit de informatie waar hij naar verwezen heeft blijkt weliswaar dat de situatie voor asielzoekers in Italië zorgelijk is, maar niet dat sprake is van zodanige tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen dat moet worden geconcludeerd dat deze aan de overdracht van Dublinclaimanten in de weg staan.

In het rapport van SFH/OSAR wordt met name ingezoomd op de positie van kwetsbare asielzoekers, maar in het geval van eiser is niet gebleken van (bijzondere) kwetsbaarheid. Voor zover dit rapport op eiser van toepassing is, schetst het geen wezenlijk ander beeld van de situatie van asielzoekers in Italië dan het beeld dat in de eerdere rapporten van deze organisatie over deze situatie is gegeven. Die eerdere rapporten zijn betrokken bij de jurisprudentie van de Afdeling en gaven geen aanleiding om ernstige structurele tekortkomingen in de opvang en de asielprocedure in Italië aan te nemen.

Ter zitting heeft verweerder gewezen op de recente uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2020 waaruit blijkt dat deze lijn nog altijd wordt gevolgd.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook terecht geen aanleiding gezien om niet langer uit te gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Verordening (EU) nr. 604/2013 Artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 Op grond van artikel 18, eerst lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening Op grond van artikel 25, tweede lid, van de Dublinverordening https://timesofmalta.com/articles/view/migration-management-in-italy-and-greece-falls-short-of-eu-objectives.751105 Speciaal verslag nummer 24, ‘Asiel, herplaatsing en terugkeer van migranten: tijd om de inspanningen op te voeren en de kloof tussen doelstellingen en resultaten te dichten’, https://it.euronews.com/2019/08/21/italia-aumenta-il-divario-tra-clandestini-e-immigrati-in-regola https://www.pri.org/stories/2019-07-31/after-budget-cuts-asylum-seekers-italy-forced-out-cities Swiss Refugee Council OSAR, ‘Reception conditions in Italy;

Updated report on the situation of asylum seekers and beneficiaries of protection, in particular Dublin returnees’ ECLI:NL:RVS:2018:4131 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Zie onder meer de uitspraken van 8 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1085), 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1861), 27 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2042) en 22 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2845) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ECLI:NL:RVS:2020:223