Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:15518 ECLI:NL:RBDHA:2020:15518 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:15518 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:15518
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL20.13905 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 oktober 2020 in de zaak tussen [eiser] , v-nummer [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E.W.M. ter Meulen-Mouwen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Op 13 juli 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij uitspraak van 25 februari 2020 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, het beroep gegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBDHA:2020:15518 · Rechtbank Den Haag: De aanvraag van eiser is bij besluit van 19 juni 2020 ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft daarbij geen rechterlijke dwangsom vastgesteld. Is de rechtbank bevoegd om de vaststelling van de hoogte van de verbeurde dwangsom te beoordelen? 3. Eiser is het niet eens met de vaststelling van de hoogte van de verbeurde rechterlijke dwangsom die de rechtbank met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb aan de uitspraak van 25 februari 2020 heeft verbonden. 3.1. Verweerder voert aan dat de rechtbank onbevoegd is om de verschuldigdheid en hoogte van een op grond van een eerdere uitspraak verbeurde dwangsom vast te stellen.

Keywords

AI generated
Nigerian asylum application requesting state withdrawal of legal petition request for protection status application to an administrative authority time limits for seeking redress

Cited Legislation

AI generated
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2014:3777
201309489/1/A3. Datum uitspraak: 22 oktober 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Economische Zaken, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, van 28 augustus 2013 in zaak nr. 12/4623 in het geding tussen: de stichtingen Stichting Baanstee-Noord, NEE!, gevestigd te Middelie, gemeente Zeevang, en de Stichting Behoud Waterland, gevestigd te Broek in Waterland, gemeente Waterland (hierna: de stichtingen) en de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (thans: de staatssecretaris van Economische Zaken, hierna: de staatsecretaris).
ECLI:NL:RVS:2018:1025
201703561/1/V1. Datum uitspraak: 29 maart 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van: 1. [de vreemdeling] en 2. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 april 2017 in zaak nr. 16/28693 in het geding tussen: de vreemdeling en het college. Procesverloop Bij brief van 14 juni 2016 heeft de vreemdeling opnieuw beroep ingesteld tegen het uitblijven van een reactie op zijn verzoek van 10 juli 2015 om hem onderdak en leefgeld te verstrekken (hierna: het verzoek van 10 juli 2015).
ECLI:NL:RVS:2020:1152
201904870/1/A3. Datum uitspraak: 29 april 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Amsterdam, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 mei 2019 in zaak nr. 18/5543 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Procesverloop Bij brief van 15 februari 2018 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een huisvestingsvergunning afgewezen. Tevens heeft het college bepaald dat het [appellant] een dwangsom van € 2.300,00 verschuldigd is.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL20.13905 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 oktober 2020 in de zaak tussen [eiser] , v-nummer [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E.W.M. ter Meulen-Mouwen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Op 13 juli 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij uitspraak van 25 februari 2020 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, het beroep gegrond verklaard.

Bij besluit van 19 juni 2020 heeft verweerder de aanvraag van eiser ingewilligd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Overwegingen Waarover gaat deze uitspraak? 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of zij bevoegd is kennis te nemen van het beroep van eiser tegen de vaststelling van de hoogte van de door verweerder verschuldigde dwangsom. Omdat de rechtbank kennelijk onbevoegd is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

De rechtbank legt hierna uit waarom zij kennelijk onbevoegd is. Hoe is de aanvraag van eiser behandeld? 2. Op 14 april 2019 heeft eiser een aanvraag ingediend om het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 13 juli 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. Bij uitspraak van 25 februari 2020 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Roermond verweerder opgedragen om binnen vier weken na de dag van bekendmaking van de uitspraak het besluit op de aanvraag van eiser te nemen en op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken. 2.1.

De aanvraag van eiser is bij besluit van 19 juni 2020 ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft daarbij geen rechterlijke dwangsom vastgesteld. Is de rechtbank bevoegd om de vaststelling van de hoogte van de verbeurde dwangsom te beoordelen? 3. Eiser is het niet eens met de vaststelling van de hoogte van de verbeurde rechterlijke dwangsom die de rechtbank met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb aan de uitspraak van 25 februari 2020 heeft verbonden. 3.1. Verweerder voert aan dat de rechtbank onbevoegd is om de verschuldigdheid en hoogte van een op grond van een eerdere uitspraak verbeurde dwangsom vast te stellen.

Eiser dient zich tot de burgerlijke rechter te wenden en verweerder verwijst hierbij naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 3.2. De bestuursrechter verbindt een nadere dwangsom aan zijn uitspraak op een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. Dat volgt uit artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Maar uit vaste rechtspraak volgt dat de bestuursrechter niet bevoegd is om de verschuldigdheid en hoogte vast te stellen van een door een rechtbank aan haar uitspraak verbonden nadere dwangsom.

Een dergelijke dwangsom kan ten uitvoer worden gelegd volgens de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De vaststelling van de hoogte van de verschuldigde dwangsom is daarom geen publiekrechtelijke rechtshandeling. Want de bevoegdheid tot het nemen van deze beslissing is immers niet aan het publiekrecht ontleend. Wat is de conclusie van de rechtbank? 4. De rechtbank is daarom kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van het beroep. Daarvoor moet eiser zich wenden tot de burgerlijke rechter. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing De rechtbank verklaart zich onbevoegd. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Mamedova, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. Zaaknummer NL20.1777 (niet gepubliceerd). Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 22 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3777), 29 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1025) en 29 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1152).

Zie bijvoorbeeld ABRvS, 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1152.