Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:15172 ECLI:NL:RBDHA:2020:15172 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:15172 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:15172
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: AWB 19/8629 en AWB 19/8630 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 november 2020 in de zaak tussen [eiser], eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. J.A.P.F. Hoens), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. B.E.A. Bakker). Procesverloop Bij besluit van 19 juni 2019 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen. Bij besluit van 15 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 9 van de Vw, artikel 8 van het EVRM; ECLI:NL:RBDHA:2020:15172 · Rechtbank Den Haag: Verder heeft eiser aangevoerd dat verweerder had moeten toetsen aan artikel 8 van het EVRM. In dat verband verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 21 februari 2019 en de werkinstructie 2019/15 (p. 36). Het oordeel van de rechtbank 4. Op grond van het arrest Chavez-Vilchez e.a. kan een derdelander-familielid van een Unieburger een afgeleid verblijfsrecht ontlenen aan het verblijfsrecht dat een Unieburger van rechtswege heeft op grond van artikel 20 van het VwEU, indien de weigering van verblijf aan de derdelander tot gevolg zou hebben dat de Unieburger gedwongen wordt het grondgebied van de Unie te verlaten.

Keywords

AI generated
expulsion of family members family policy prohibition of expulsion of nationals unlawful stay expatriation and foreign residence allowances parental or family leave

Cited Legislation

AI generated

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2019:567
201710145/1/V3. Datum uitspraak: 21 februari 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van: 1. [de vreemdeling], 2. de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 22 november 2017 in zaak nr. 17/12973 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 19 september 2016 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat de vreemdeling geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft.
ECLI:NL:RBDHA:2019:7721
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummers: AWB 19/1238 (beroep) AWB 19/1239 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 21 juni 2019 in de zaken tussen [eiseres] , geboren op [geboortedatum 1] 1990, van Marokkaanse nationaliteit, eiseres en verzoekster, hierna te noemen: eiseres (gemachtigde: mr. V. Sarkisian), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. V. Berentsen- van Dijk). Procesverloop Bij besluit van 2 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2014:3755
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (hierna: de staatssecretaris), 2.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: AWB 19/8629 en AWB 19/8630 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 november 2020 in de zaak tussen [eiser], eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. J.A.P.F. Hoens), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. B.E.A. Bakker). Procesverloop Bij besluit van 19 juni 2019 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen. Bij besluit van 15 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen [echtgenote], echtgenote van eiser. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Feiten en omstandigheden 1. Eiser is in 2007 met een werkvergunning vanuit Marokko naar Spanje gereisd en heeft daar een verblijfsvergunning voor langdurig verblijf in Spanje verkregen die geldig is tot 1 augustus 2022.

Eiser is in 2009 getrouwd met [echtgenote] en reist sindsdien heen en weer tussen Nederland en Spanje. Eiser en zijn echtgenote hebben vijf kinderen gekregen. Alle kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. De twee jongste kinderen, een tweeling geboren in 2019, zijn ernstig ziek en hebben volgens een brief van de behandelend kinderarts van 4 september 2020 levenslange intensieve medische behandeling in een academisch ziekenhuis nodig. Eiser beoogt verblijf bij zijn minderjarige kinderen met de Nederlandse nationaliteit. Eiser heeft daarom op 14 december 2018 een aanvraag ingediend voor toetsing aan het EU-recht en verlening van een verblijfsdocument als bedoeld in artikel 9 van de Vw.

Ter onderbouwing hiervan heeft eiser aangevoerd dat hij een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU). De afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn kinderen is zodanig dat een weigering door verweerder om hem het aangevraagde document te verlenen, er toe zal leiden dat zijn kinderen, die Unieburger zijn, noodgedwongen het grondgebied van de Europese Unie moeten verlaten. Eiser beroept zich op rechtspraak van het Hof van Justitie, zoals onder meer is uiteengezet inhet arrest Chavez-Vilchez e.a.

Besluitvorming door verweerder 2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Verweerder stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij met zijn gezin tenminste drie maanden aaneengesloten een gemeenschappelijke huishouding in Spanje heeft gevoerd en daar gezinsleven heeft opgebouwd en bestendigd. Daarom kan eiser geen verblijfsrecht ontlenen aan artikel 20 van het VwEU. Verder stelt verweerder dat bij de weigering om aan eiser een verblijfsrecht toe te kennen, eisers kinderen niet gedwongen zullen worden om de Europese Unie te verlaten. Eiser heeft namelijk een verblijfsdocument uit Spanje dat geldig is tot 1 augustus 2022.

Daarom kan eiser geen verblijfsrecht ontlenen aan het arrest Chavez-Vilchez e.a. Na bezwaar heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd en daaraan toegevoegd dat een beroep op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in deze procedure niet wordt getoetst, omdat een geslaagd beroep op artikel 8 van het EVRM niet kan leiden tot afgifte van het verzochte EU-verblijfsdocument. Waarom eiser het niet eens is met het besluit van verweerder 3. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder het Unierecht en het arrest Chavez-Vilchez e.a.niet juist uitlegt.

Ter onderbouwing hiervan heeft eiser gewezen op de afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn kinderen en de onmogelijkheid van een verhuizing met het gezin naar Spanje, mede gelet op de medische situatie van de tweeling. Ter onderbouwing van die situatie heeft eiser medische verklaringen overgelegd, gedateerd 3 en 4 september 2020. De kinderen hebben verder volgens eiser recht op opvoeding door hun vader. Hun moeder kan hen niet alleen opvoeden. Ook prevaleren volgens eiser de hogere belangen van de kinderen boven de belangen van verweerder. Verweerder had bij de toetsing van die belangen dan ook de arresten Alokpa, Rendón Marín, O.S. en L en Deticek moeten betrekken.

Verder heeft eiser aangevoerd dat verweerder had moeten toetsen aan artikel 8 van het EVRM. In dat verband verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 21 februari 2019 en de werkinstructie 2019/15 (p. 36). Het oordeel van de rechtbank 4. Op grond van het arrest Chavez-Vilchez e.a. kan een derdelander-familielid van een Unieburger een afgeleid verblijfsrecht ontlenen aan het verblijfsrecht dat een Unieburger van rechtswege heeft op grond van artikel 20 van het VwEU, indien de weigering van verblijf aan de derdelander tot gevolg zou hebben dat de Unieburger gedwongen wordt het grondgebied van de Unie te verlaten.

Door een gedwongen vertrek zou aan die Unieburger namelijk het effectieve genot worden ontzegd van de belangrijkste aan zijn status van Unieburger ontleende rechten, te weten verblijf in één van de lidstaten. Om die reden verzet artikel 20 van het VWEU zich in dat geval tegen het onthouden van een verblijfsrecht aan de derdelander.

5. Vaststaat dat eiser rechtmatig verblijf heeft in Spanje. Dat betekent dat de weigering van verblijf aan eiser in Nederland niet tot gevolg heeft dat hij de Europese Unie zal moeten verlaten. Eiser kan immers in Spanje verblijven. Ook eisers kinderen hebben, als Unieburgers, het recht om in Spanje te verblijven. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de kinderen, door de weigering van verweerder om hem een verblijfsdocument te verlenen, gedwongen worden de Europese Unie te verlaten. Verder ziet de rechtbank, evenals in de door eiser overgelegde uitspraak van 21 juni 2019 van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, geen aanknopingspunten voor de conclusie dat wat in het arrest Chavez-Vilchez e.a. is overwogen ook van toepassing is in het geval een kind wordt gedwongen niet het grondgebied van de Unie, maar slechts het grondgebied van een lidstaat, te verlaten.

6. Verder volgt uit de door eiser genoemde arresten, inderdaad dat de belangen van de kinderen moeten worden betrokken bij het vaststellen van een eventuele afhankelijkheidsrelatie. Maar die belangenafweging vindt alleen plaats indien een weigering van verweerder ertoe leidt dat de kinderen het grondgebied van de Unie moeten verlaten. Omdat van de kinderen niet wordt verwacht dat zij het grondgebied van de Europese Unie verlaten, heeft verweerder niet hoeven toekomen aan het vaststellen van de afhankelijkheidsrelatie en daarmee wordt ook niet aan de belangenafweging in dat kader. Hoe vervelend ook de situatie is waarin het gezin van eiser zich bevindt.

7. De rechtbank concludeert naar aanleiding van het bovenstaande dat verweerder het gevraagde verblijfsdocument terecht heeft geweigerd, omdat de afwijzing niet tot gevolg heeft dat de kinderen gedwongen het EU-grondgebied dienen te verlaten.

8. Uit vaste rechtspraak van de ABRvS volgt dat afgifte van een document op grond van artikel 9 van de Vw geen verdere strekking heeft dan dat het bestaan van rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan wordt bevestigd. Een beroep op artikel 8 van het EVRM kan nooit leiden tot afgifte van het gevraagde document. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiser, als hij zijn aanspraak op verblijf op grond van artikel 8 van het EVRM beoordeeld wenst te zien, een daartoe strekkende aanvraag moet indienen. Het beroep van eiser ter zitting op de uitspraak van de ABRvS van 21 februari 2019 kan niet tot een ander oordeel leiden.

Ten eerste ziet die uitspraak op een besluit tot vaststelling dat de vreemdeling geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft (verblijfsbeëindiging). Terwijl eiser een aanvraag heeft gedaan tot vaststelling van een verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan die is afgewezen (verblijfsweigering). Verder volgt uit die uitspraak dat verweerder op grond van artikel 3.6b van het Vreemdelingenbesluit 2000 de bevoegdheid heeft om ambtshalve te beoordelen of een vreemdeling aanspraak heeft op een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM.

Daaruit volgt niet en ook niet uit de werkinstructie 2019/15, dat verweerder daartoe ook verplicht is. Het staat verweerder ook in dit geval vrij om bij de aanvraag van eiser een ambtshalve beoordeling van artikel 8 van het EVRM achterwege te laten en van eiser te verlangen dat hij hiertoe een aparte aanvraag indient. De beroepsgrond slaagt niet.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier. De beslissing is uitgesproken op 30 november 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (EU), arrest van 10 mei 2017 Chavez-Vilchez e.a. (ECLI:EU:C:2017:354) Arresten van het Hof van Justitie van de EU van 10 oktober 2013, C‑86/12 (Alopka), van 13 september 2016, ECLI:EU:C:2016:675 (Rendón Marín), van 6 december 2012, C-356/11 enC-357/11 (O.S. en L.) en van 23 december 2009, C-403/09 (Deticek) ECLI:NL:RVS:2019:567 ECLI:NL:RBDHA:2019:7721 Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2014:3755