Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:15165 ECLI:NL:RBDHA:2020:15165 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:15165 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:15165
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: NL20.19735, NL20.19737 en NL20.19739 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser, mede namens zijn minderjarige kinderen, [minderjarige 1], V-nummer: [V-nummer] en [minderjarige 2], V-nummer: [V-nummer] (hierna gezamenlijk: eisers) (gemachtigde: mr. G. Ocak), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. E. Sweerts). Procesverloop Bij besluiten van 12 november 2020 (de bestreden besluiten) heeft verweerder aan eisers de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Legislator headnote

AI generated

artikel 106 van de Vw; ECLI:NL:RBDHA:2020:15165 · Rechtbank Den Haag: De medische en psychische omstandigheden van eiser heeft verweerder ook voldoende meegewogen en toegelicht dat in detentie gespecialiseerde zorg 1. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb). 2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb. 3 Zie onder meer de uitspraken van de ABRvS van 23 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:674, en van 10 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1309 en het arrest Mahdi van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014, ECLI:EU:C:2014:1320. aanwezig is. Verder heeft verweerder vermeld dat indien er gevaar van suïcide dreigt, eiser in een kamer onder cameratoezicht geplaatst kan worden.

Keywords

AI generated
expulsion of family members child of migrant revocation of refugee status expulsion despite persecution risk family asylum for eritreans abandoned child

Cited Legislation

AI generated

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2015:674
201408880/1/V3 Datum uitspraak: 23 februari 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 30 oktober 2014 in zaak nr. 14/23640 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 14 oktober 2014 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
ECLI:NL:RVS:2015:1309
201502024/1/V3. Datum uitspraak: 10 april 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 5 maart 2015 in zaak nr. 15/2876 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 9 februari 2015 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld (hierna: de maatregel van bewaring).
ECLI:NL:RVS:2010:BO8075
Procesverloop Bij besluit van 24 augustus 2010 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
ECLI:NL:RVS:2013:BZ8719
201301495/1/V4. Datum uitspraak: 2 april 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [vreemdeling], tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Haarlem, van 8 februari 2013 in zaak nr. 13/1900 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 7 januari 2013 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd, die nadien is voortgezet. Dit besluit is aangehecht.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: NL20.19735, NL20.19737 en NL20.19739 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser, mede namens zijn minderjarige kinderen, [minderjarige 1], V-nummer: [V-nummer] en [minderjarige 2], V-nummer: [V-nummer] (hierna gezamenlijk: eisers) (gemachtigde: mr. G. Ocak), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. E. Sweerts). Procesverloop Bij besluiten van 12 november 2020 (de bestreden besluiten) heeft verweerder aan eisers de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als verzoeken om toekenning van schadevergoeding. Verweerder heeft op 17 november 2020 de maatregelen van bewaring opgeheven. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2020. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eisers stellen dat zij de Tadzjiekse nationaliteit hebben en dat zij zijn geboren op respectievelijk [1979] , [2008] en [2010] .

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eisers schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregelen van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring, aan eisers een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

3. In de maatregelen van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregelen nodig waren, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eisers zich aan het toezicht zouden onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eisers: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze zijn binnengekomen, dan wel een poging daartoe hebben gedaan; 3k. een overdrachtsbesluit hebben ontvangen en geen medewerking verlenen aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van hun asielverzoek; en als lichte gronden2 vermeld dat eisers: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hen geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb hebben gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats hebben; 4d. niet beschikken over voldoende middelen van bestaan.

4. De rechtbank stelt vast dat eisers de gronden die verweerder aan de maatregelen van bewaring ten grondslag heeft gelegd, niet hebben betwist.

5. Eisers voeren aan dat verweerder had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan bewaring, met name gelet op het feit dat het ook gaat om kinderen. Eiser en zijn kinderen zijn Dublinclaimanten en ze hadden in het asielzoekerscentrum kunnen blijven tot het moment van overdracht. Verder voert eiser aan dat hij met zijn kinderen in een cel is gezet met camera’s en dat dat, mede gelet op het feit dat hij suïcidaal is, niet goed was voor zijn kinderen.

6. De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder mag bij de keuze voor inbewaringstelling in plaats van een lichter middel niet volstaan met verwijzen naar de bewaringsgronden, maar moet in de maatregel van bewaring specifiek motiveren waarom de bewaring noodzakelijk wordt geacht. Daarbij moet verweerder ook ingaan op de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Dit is vaste rechtspraak.3 7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de belangen van eisers voldoende meegewogen en voldoende gemotiveerd waarom de bewaring noodzakelijk wordt geacht.

Verweerder heeft gemotiveerd dat eiser de tijd en ruimte heeft gekregen om zijn eigen vertrek te realiseren, maar dat hij geen actie heeft ondernomen. Ook heeft eiser verklaard niet terug te willen keren naar Duitsland. Verweerder heeft daaruit mogen concluderen dat de toepassing van een lichter middel niet zal leiden tot het vertrek van eisers. Verweerder heeft de belangen van de kinderen uitdrukkelijk meegewogen en gemotiveerd dat het in het belang van de kinderen is om bij hun vader te blijven. Ook is van belang dat de Gesloten Gezinsvoorziening Zeist speciaal is ingericht voor een kort verblijf van kinderen en gezinnen.

De medische en psychische omstandigheden van eiser heeft verweerder ook voldoende meegewogen en toegelicht dat in detentie gespecialiseerde zorg 1. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb). 2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb. 3 Zie onder meer de uitspraken van de ABRvS van 23 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:674, en van 10 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1309 en het arrest Mahdi van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014, ECLI:EU:C:2014:1320. aanwezig is. Verder heeft verweerder vermeld dat indien er gevaar van suïcide dreigt, eiser in een kamer onder cameratoezicht geplaatst kan worden.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat eisers in geval van problemen met de omstandigheden in het detentiecentrum daarover bij het detentiecentrum hun beklag moeten doen. De beoordeling van de tenuitvoerlegging van de bewaring moet beperkt blijven tot een oordeel over de aanwijzing van de plaats of ruimte voor de uitvoering van de bewaring, bezien in het licht van het daar geldende regime. Over eisers’ klachten over de omstandigheden in het detentiecentrum, kan de rechtbank daarom niet oordelen4. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in deze zaken geen lichter middel hoefde toe te passen.

De beroepsgrond slaagt niet.

8. Voor zover eiser zich beklaagt over het feit dat hij bij de overdracht zijn spullen niet heeft meegekregen, merkt de rechtbank op dat dergelijke zaken niet in deze procedure ter beoordeling voorliggen. Eiser kan hierover zijn beklag doen bij de betreffende instanties verantwoordelijk voor de overdracht.

9. De beroepen zijn ongegrond. Daarom worden ook de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen ongegrond; wijst de verzoeken om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff-Vos, griffier. 4 Zie ook ECLI:NL:RVS:2010:BO8075 en ECLI:NL:RVS:2013:BZ8719. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op: 27 november 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. Mr. J.A. Schuman T.R. Vos Rechter Griffier Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland Documentcode: [documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.