Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:14787 ECLI:NL:RBDHA:2020:14787 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:14787 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:14787
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 2 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie 3 ECLI:NL:RVS:2018:1795 4 ECLI:NL:RVS:2019:2384 5 ECLI:NL:EU:C:2019:219 6 ECLI:NL:RVS:2020:1382 Bijzondere kwetsbaarheid 7. In de uitspraak van 22 april 20207 heeft de ABRvS overwogen dat uit de punten 86, 88 en 93 van het arrest Ibrahim van het Hof van Justitie van 19 maart 2019,8 volgt dat de bijzondere kwetsbaarheid van individuele statushouders ertoe kan leiden dat zij bij terugkomst in de lidstaat waar zij een asielvergunning hebben gekregen een reëel risico lopen op schending van artikel 4 van het Handvest.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:14787 · Rechtbank Den Haag: In de uitspraak van 22 april 20207 heeft de ABRvS overwogen dat uit de punten 86, 88 en 93 van het arrest Ibrahim van het Hof van Justitie van 19 maart 2019,8 volgt dat de bijzondere kwetsbaarheid van individuele statushouders ertoe kan leiden dat zij bij terugkomst in de lidstaat waar zij een asielvergunning hebben gekregen een reëel risico lopen op schending van artikel 4 van het Handvest.

Keywords

AI generated
Iraqi asylum application refugee status post-flight political activities temporary protection for Ukrainians change in country conditions removal to northern Iraq

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2018:1795
Bij deze uitspraak is een persbericht uitgebracht.
ECLI:NL:RVS:2019:2384
201901667/1/V3. Datum uitspraak: 15 juli 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 19 februari 2019 in zaken nrs. NL18.24757 en NL18.24755 in het geding tussen: [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kinderen, en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluiten van 21 december 2018 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:RVS:2020:1382
202002276/1/V3. Datum uitspraak: 17 juni 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 31 maart 2020 in zaak nr. NL20.4937 in het geding tussen: [de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen, en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 24 februari 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:RVS:2020:1102
201906458/1/V3. Datum uitspraak: 22 april 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 20 augustus 2019 in zaak nr. NL19.17113 in het geding tussen: [de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen, en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 22 juli 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.14295 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. B.A. Palm), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils). Procesverloop Bij besluit van 13 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2020. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Eiser heeft de Iraakse nationaliteit en hij is geboren op [1985] . Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat de situatie in Griekenland zeer slecht is. Eisers psychische gesteldheid is daardoor achteruit gegaan. Er waren gevechten in het vluchtelingenkamp en eiser is bestolen van geld, kleding en zijn telefoon. Eiser heeft tevergeefs geklaagd bij een mensenrechtenorganisatie.

Toen eisers asielaanvraag werd ingewilligd, kreeg hij geen opvang meer. Eiser krijgt als gevolg van een wetswijziging in Griekenland als statushouder geen woning of onderhoudsgeld van de Griekse autoriteiten. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat is gesteld noch gebleken dat eiser als bijzonder kwetsbaar persoon aangemerkt dient te worden. Eiser is een jonge alleenstaande man, zonder medische klachten, van wie verwacht kan worden dat hij de rechten die uit zijn status voortvloeien kan effectueren. Uit eisers verklaringen volgt niet dat er sprake is van een situatie die zodanig slecht is dat kan worden gesproken van een schending van artikel 3 EVRM1 en artikel 4 van het Handvest2.

Verweerder verwijst naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 30 mei 20183 en 15 juli 20194, waarin de ABRvS heeft bevestigd dat de Nederlandse autoriteiten nog steeds in algemene zin van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Griekenland mogen uitgaan. De positie van statushouders is voor de wet gelijk aan die van Griekse staatsburgers. De aangevoerde wetswijziging doet hier niet aan af.

4. Eiser heeft aangevoerd dat niet van hem verlangd kan worden dat hij terugkeert naar Griekenland. In Griekenland loopt hij een reëel en voorzienbaar risico dat hij daar, buiten zijn wil en keuzes om, zal belanden in een toestand van zeer vergaande materiële deprivatie. Hij beroept zich op het arrest Ibrahim5 van 19 maart 2019 (arrest Ibrahim) en hij meent dat de in het arrest geschetste drempel gehaald wordt. Op grond van de wet hebben statushouders veelal dezelfde rechten als Griekse burgers, maar in de praktijk blijkt dat zij hier geen aanspraak op kunnen maken. Eiser verwijst naar het rapport van Respond van juni 2020 (Respond rapport) waaruit blijkt dat de regelingen met betrekking tot huisvesting van vluchtelingen en statushouders niet voldoet. Eiser verwijst verder naar het AIDA rapport van 23 juni 2020 (AIDA rapport) waarin onder andere staat dat niet alle statushouders toegang hebben tot sociale voorzieningen, dat ze bureaucratische hindernissen ondervinden en dat toegang tot gezondheidszorg problematisch is.

5. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser internationale bescherming heeft in Griekenland geldig van 22 januari 2019 tot 21 januari 2022. Algemene situatie in Griekenland 6. De rechtbank overweegt dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit mag gaan dat de lidstaten van de Europese Unie hun internationale verplichtingen naleven. Het is aan eiser om aan te tonen dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser is hierin niet geslaagd. In de door verweerder genoemde uitspraak van 30 mei 2018 heeft de ABRvS geoordeeld dat de situatie in Griekenland voor statushouders niet zo slecht is dat sprake is van extreme armoede of ontberingen van eerste levensbehoeften en rechteloosheid waartegenover de Griekse autoriteiten onverschillig zouden staan en dat van de vreemdelingen mag worden verwacht dat zij zelf in Griekenland de rechten die voortvloeien uit hun status effectueren.

De ABRvS is tot hetzelfde oordeel gekomen in de door verweerder genoemde uitspraak van 15 juli 2019 en meer recentelijk in de uitspraak van 1 juli 20206. In deze uitspraken heeft de ABRvS overwogen dat de situatie van statushouders in Griekenland niet wezenlijk is verslechterd ten opzichte van de situatie die in de uitspraak van 30 mei 2018 aan de orde was. Naar het oordeel van de rechtbank schetsen het AIDA rapport en het Respond rapport geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Griekenland dan het AIDA rapport van 2018, dat door de ABRvS reeds is meegenomen in haar beoordeling.

1. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 2 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie 3 ECLI:NL:RVS:2018:1795 4 ECLI:NL:RVS:2019:2384 5 ECLI:NL:EU:C:2019:219 6 ECLI:NL:RVS:2020:1382 Bijzondere kwetsbaarheid 7. In de uitspraak van 22 april 20207 heeft de ABRvS overwogen dat uit de punten 86, 88 en 93 van het arrest Ibrahim van het Hof van Justitie van 19 maart 2019,8 volgt dat de bijzondere kwetsbaarheid van individuele statushouders ertoe kan leiden dat zij bij terugkomst in de lidstaat waar zij een asielvergunning hebben gekregen een reëel risico lopen op schending van artikel 4 van het Handvest.

Uit het arrest volgt ook dat het op zichzelf niet tot schending van artikel 4 van het Handvest leidt als een statushouder in die lidstaat geen sociale ondersteuning krijgt of alleen ondersteuning krijgt die duidelijk beperkter is dan die in andere lidstaten, maar wel hetzelfde wordt behandeld als de eigen inwoners van die lidstaat (punt 93). De statushouder loopt dan niet zonder meer een reëel risico om in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terecht te komen (punten 89-91).

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bijzonder kwetsbaar is als bedoeld in het arrest Ibrahim. Eiser is een jonge alleenstaande man, zonder medische klachten. Verweerder heeft deugdelijk gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkomst in Griekenland terecht zal komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie. Eiser heeft bovendien verklaard dat hij in Griekenland een zorgverzekering had en toegang tot medische zorg. Ook kreeg hij de mogelijkheid om de Griekse taal te leren, welk aanbod eiser heeft afgeslagen omdat hij liever Engels leert. Eiser heeft verklaard dat hij niet, eventueel met hulp van de Griekse autoriteiten of andere organisaties, naar woningen heeft gezocht. Hij heeft verder verklaard dat hij niet bij de geëigende instanties heeft geïnformeerd naar een uitkering. Verweerder verwacht terecht zelfredzaamheid van eiser op deze punten. De beroepsgrond slaagt niet.

9. Eiser komt niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

10. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 7 ECLI:NL:RVS:2020:1102 8 ECLI:EU:C:2019:219 Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. van Gestel, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op: 31 augustus 2020 Documentcode: [documentnummer] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.