Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:14651 ECLI:NL:RBDHA:2020:14651 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:14651 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:14651
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amersfoort Bestuursrecht zaaknummer: NL20.16517 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. R.P.M. Ngasirin), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. Y. Rikken). Procesverloop Bij besluit van 3 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6 van het EVRM; ECLI:NL:RBDHA:2020:14651 · Rechtbank Den Haag: Voor zover eiser aanvoert dat hij ten onrechte geen gratis rechtsbijstand heeft gekregen in Italië en zijn klachten niet aan een advocaat heeft kunnen voorleggen, overweegt de rechtbank dat uit de Procedurerichtlijn niet volgt dat sprake is van een onvoorwaardelijk recht op gratis rechtsbijstand en vertegenwoordiging in asielprocedures. Dit geldt zowel voor procedures in eerste aanleg als in beroepsprocedures. In artikel 20, tweede lid, van de Procedurerichtlijn is bepaald dat lidstaten kunnen voorzien in gratis rechtsbijstand en vertegenwoordiging, maar dat dit geen verplichting is.

Keywords

AI generated
Nigerian asylum application visas, asylum, immigration, etc applicability of immigration law principle of non-refoulement family asylum for eritreans safe third country status

Cited Legislation

AI generated
artikel 6 van het EVRM
Om die reden is van strijd met artikel 3 of artikel 6 van het EVRM niet gebleken.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2018:4131
Bij deze uitspraak is een persbericht uitgebracht.
ECLI:NL:RVS:2019:1861
201809552/1/V3. Datum uitspraak: 12 juni 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 22 november 2018 in zaak nr. NL18.20043 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 22 oktober 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2020:986
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, 2.
ECLI:NL:RVS:2020:987
201907435/1/V1. Datum uitspraak: 8 april 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling] mede voor haar minderjarige kind, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 oktober 2019 in zaak nr. NL19.21436 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 10 september 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2020:1850
201907763/1/V1. Datum uitspraak: 5 augustus 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 16 oktober 2019 in zaken nrs. NL19.22609 en NL19.22611 in het geding tussen: [de vreemdelingen], mede voor hun minderjarige kinderen, en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluiten van 23 september 2019 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2020:1847
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, 2.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amersfoort Bestuursrecht zaaknummer: NL20.16517 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. R.P.M. Ngasirin), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. Y. Rikken). Procesverloop Bij besluit van 3 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.16518, plaatsgevonden op 22 september 2020. Eiser is, met kennisgeving, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Eiser komt uit Nigeria. Hij heeft op 19 juli 2020 in Nederland een asielaanvraag gedaan. Deze aanvraag heeft verweerder niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) omdat op grond van de Dublinverordening1 Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Italië heeft een verzoek van Nederland om terugname op 2 september 2020 aanvaard. Eiser voert aan dat Italië zich niet aan alle Europese richtlijnen houdt. De Italiaanse autoriteiten houden zich niet aan de Opvangrichtlijn, omdat eiser na een bepaalde tijd geen opvang meer ontving. Eiser voelde zich bovendien niet veilig in Italië en werd slecht behandeld door de Italiaanse autoriteiten. Eiser beroept zich op het rapport van de Danish Refugee Council (DRC) en de Swiss Refugee Council (SRC) ‘Mutual trust is still not enough’ van 12 december 2018.

Hieruit volgt dat de Italiaanse autoriteiten kunnen beslissen 1. Verordening 604/2013 (PbEU 2013 L180). om de opvang van een willekeurige asielzoeker te stoppen, dat onvoorspelbaar is of en welke ondersteuning kwetsbare asielzoekers zullen ontvangen en dat de medische voorzieningen in Italië slecht zijn. Dit laatste heeft eiser ook zelf ervaren toen hij in Italië meerdere auto-ongelukken heeft gehad. Verder blijkt uit de rapporten dat de SPRAR- locaties alleen nog toegankelijk zijn voor onbegeleide, minderjarige asielzoekers en statushouders, waardoor de overige locaties overbevolkt raken.

Eiser voert aan dat hij in Italië geen recht op gratis rechtsbijstand had, waardoor hij zijn klacht niet aan een advocaat kon voorleggen. Eiser doet daarbij een beroep op de Procedurerichtlijn en artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Tot slot voert eiser aan dat overdracht aan Italië zal leiden tot (indirect) refoulement. Eiser kon in Italië niet zijn hele asielrelaas naar voren brengen. Gelet daarop vreest eiser dat zijn asielprocedure in Italië niet zorgvuldig zal verlopen en hij door de Italiaanse autoriteiten wordt uitgezet naar Nigeria.

De rechtbank oordeelt als volgt.

3. In zijn algemeenheid mag verweerder uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Italië. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van onder meer 19 december 2018 en 12 juni 2019 en meer recent uit de uitspraken van 8 april 20202 en de uitspraken van 5 augustus 2020.3 De rechtbank ziet in de informatie waar eiser naar heeft verwezen geen aanleiding om anders te oordelen dan de ABRvS heeft gedaan in de hiervoor aangehaalde uitspraken. Daarbij overweegt de rechtbank dat de ABRvS in de uitspraak van 8 april 20194 het rapport van DRC en SRC van 12 december 2018, waar eiser naar heeft verwezen, bij de beoordeling heeft betrokken. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Italië.

4. De rechtbank overweegt dat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij in Italië in strijd met de richtlijnen geen opvang heeft gekregen. Ook is niet gebleken dat hij hiervoor hulp heeft gevraagd bij de Italiaanse autoriteiten. Evenmin is gebleken dat eiser in Italië geen toegang had tot de noodzakelijke medische zorg. De stelling van eiser dat hij na zijn overdracht geen opvang zal krijgen, is ook niet onderbouwd. Eiser heeft geen informatie overgelegd die aanleiding geeft voor het oordeel dat er in Italië sprake is van aan het systeem gerelateerde structurele tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen.

5. Voor zover eiser aanvoert dat hij ten onrechte geen gratis rechtsbijstand heeft gekregen in Italië en zijn klachten niet aan een advocaat heeft kunnen voorleggen, overweegt de rechtbank dat uit de Procedurerichtlijn niet volgt dat sprake is van een onvoorwaardelijk recht op gratis rechtsbijstand en vertegenwoordiging in asielprocedures. Dit geldt zowel voor procedures in eerste aanleg als in beroepsprocedures. In artikel 20, tweede lid, van de Procedurerichtlijn is bepaald dat lidstaten kunnen voorzien in gratis rechtsbijstand en vertegenwoordiging, maar dat dit geen verplichting is.

Daarnaast biedt artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn lidstaten de mogelijkheid om geen gratis rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te bieden wanneer volgens de rechterlijke 2 ECLI:NL:RVS:2018:4131, ECLI:NL:RVS:2019:1861 en ECLI:NL:RVS:2020:986 en ECLI:NL:RVS:2020:987. 3 ECLI:NL:RVS:2020:1850, ECLI:NL:RVS:2020:1847 en ECLI:NL:RVS:2020:1849. 4 ECLI:NL:RVS:2019:1085. instantie of een andere bevoegde autoriteit het beroep geen reële kans van slagen heeft. Het ligt daarom op de weg van eiser om eventuele klachten over de schendingen van de internationale verplichtingen door Italië kenbaar te maken bij (hogere) Italiaanse autoriteiten dan wel geëigende instanties.

Niet is gebleken dat eiser deze mogelijkheid niet heeft en dat de autoriteiten van Italië hem niet zouden kunnen of willen helpen. Om die reden is van strijd met artikel 3 of artikel 6 van het EVRM niet gebleken.

6. Voorts mag er – gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel – vanuit worden gegaan dat de Italiaanse autoriteiten het verzoek van eiser om internationale bescherming (opnieuw) in behandeling nemen. De rechtbank ziet onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat de gestelde vrees van eiser voor terugkeer naar Nigeria door de Italiaanse autoriteiten onzorgvuldig wordt beoordeeld.

7. Tot slot is niet gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die voor verweerder aanleiding moeten zijn het asielverzoek op grond van artikel 17 van de Dublinverordening zelf in behandeling te nemen. De wens van eiser om in Nederland te verblijven, omdat hij wel vertrouwen heeft in de autoriteiten van Nederland, hij zich in Nederland veilig voelt en goed behandeld wordt, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat daarmee de Dublinverordening buiten toepassing dient te worden gelaten. De beroepsgrond slaagt niet.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken. De uitspraak is gedaan op: 25 september 2020 Documentcode: [Documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.