Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:14611 ECLI:NL:RBDHA:2020:14611 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:14611 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:14611
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.16865 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. S. Wortel), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S. De Vita). Procesverloop Bij besluit van 11 september 2000 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Legislator headnote

AI generated

artikel 59b van de Vw; ECLI:NL:RBDHA:2020:14611 · Rechtbank Den Haag: De rechtbank overweegt dat eisers beroep op het ontbreken van een redelijk vooruitzicht op uitzetting niet slaagt. Eiser heeft asiel aangevraagd en is daarom in bewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vw. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 6 juni 20163 volgt dat voor een bewaring op deze grondslag het redelijk vooruitzicht op uitzetting geen vereiste is.

Keywords

AI generated
identity check nationality prohibition of expulsion of nationals duty to establish identity Nigerian asylum application right to naturalisation

Cited Legislation

AI generated

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2016:1552
201600206/1/V3. Datum uitspraak: 6 juni 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 11 januari 2016 in zaak nr. 15/22956 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 28 december 2015 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 11 januari 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2015:674
201408880/1/V3 Datum uitspraak: 23 februari 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 30 oktober 2014 in zaak nr. 14/23640 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 14 oktober 2014 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
ECLI:NL:RVS:2015:1309
201502024/1/V3. Datum uitspraak: 10 april 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 5 maart 2015 in zaak nr. 15/2876 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 9 februari 2015 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld (hierna: de maatregel van bewaring).
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.16865 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. S. Wortel), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S. De Vita). Procesverloop Bij besluit van 11 september 2000 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Chbab. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Eiser stelt dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [2002] In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag.

Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht 1. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; en als lichte gronden2 vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. Eiser voert aan dat voor het opleggen van de maatregel van bewaring onvoldoende gronden aanwezig zijn. Eiser voert aan dat de zware grond 3c niet aan de bewaring ten grondslag kan worden gelegd, omdat niet is gebleken dat eiser een besluit heeft ontvangen waaruit volgt dat hij Nederland moest verlaten. Uit de maatregel van bewaring blijkt bovendien niet om welk besluit het gaat en of dat besluit op de juiste wijze aan eiser bekend is gemaakt. Eiser was niet van een terugkeerbesluit op de hoogte. Ten aanzien van de lichte grond 4a voert eiser aan dat hij niet wist dat hij een meldplicht had. In de maatregel is niet toegelicht dat dit wel aan eiser is verteld. Ook hiervoor geldt dat eiser het terugkeerbesluit niet heeft ontvangen en dat hij niet op de hoogte was van dit besluit en de daaruit volgende vertrekplicht. Hetzelfde voert eiser aan met betrekking tot de lichte grond 4b.

4. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware grond onder 3a en de lichte gronden onder 4c en 4d niet heeft betwist. Deze gronden kunnen, in onderlinge samenhang bezien, de maatregel van bewaring dragen. Wat eiser over de overige gronden heeft aangevoerd, hoeft daarom niet besproken te worden. De beroepsgrond slaagt niet.

5. De rechtbank overweegt dat eisers beroep op het ontbreken van een redelijk vooruitzicht op uitzetting niet slaagt. Eiser heeft asiel aangevraagd en is daarom in bewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vw. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 6 juni 20163 volgt dat voor een bewaring op deze grondslag het redelijk vooruitzicht op uitzetting geen vereiste is.

6. Eiser voert ten slotte aan dat verweerder een lichter middel dan de inbewaringstelling had moeten toepassen. Eiser is pas net meerderjarig en hij voelt zich angstig in het detentiecentrum tussen oudere volwassenen.

7. De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder mag bij de keuze voor inbewaringstelling in plaats van een lichter middel niet volstaan met verwijzen naar de bewaringsgronden, maar moet in de maatregel van bewaring specifiek motiveren waarom de bewaring noodzakelijk wordt geacht. Daarbij moet verweerder ook ingaan op de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Dit is vaste rechtspraak.4 Voor zover bij eiser sprake is van psychische klachten heeft verweerder bij de belangenafweging hiermee voldoende rekening gehouden en gemotiveerd dat in de detentie- en uitzetcentra gespecialiseerde zorg voor eiser aanwezig is.

Verweerder heeft ook meegewogen dat eiser 2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb. 3 ECLI:NL:RVS:2016:1552. 4 Zie onder meer de uitspraken van de ABRvS van 23 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:674, en van 10 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1309 en het arrest Mahdi van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014, ECLI:EU:C:2014:1320. zo nodig overgeplaatst kan worden naar een andere plaats met passende zorg. Verweerder heeft verder rekening gehouden met een eventuele dreiging met zelfdoding en vermeld dat de veiligheid voor het leven en de gezondheid van eiser voldoende wordt gewaarborgd door middel van constant toezicht.

Niet is gebleken dat eiser detentieongeschikt is. Voor zover eiser bang is voor (problemen met) anderen in het huis van bewaring, kan hij daarover bij het detentiecentrum zijn beklag doen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in deze zaak geen lichter middel hoefde toe te passen. De beroepsgrond slaagt niet.

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Karman, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff-Vos, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 23 september 2020 Documentcode: [documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.