Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:13312 ECLI:NL:RBDHA:2020:13312 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:13312 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:13312
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummers: AWB 20/4549 V-nummer: [#] uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen [naam], eiser, [gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen] en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft bij besluit van 7 mei 2020 (het bestreden besluit) het bezwaar van eiser tegen de weigering om aan hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel arbeid als zelfstandige (start up) te verstrekken kennelijk ongegrond verklaard. Eiser heeft 4 juni 2020 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Overwegingen 1. Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb wordt van de indiener van een beroepschrift griffierecht geheven. Voor eiser is het griffierecht vastgesteld op €178,-.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:13312 · Rechtbank Den Haag: Bij aangetekende brief van 10 juli 2020 is eiser eraan herinnerd dat hij nog niet had voldaan aan de uitnodiging om het griffierecht te betalen en is hem verzocht om binnen vier weken alsnog tot betaling over te gaan.

Keywords

AI generated
unpaid cost advance unpaid remuneration back payment accounting error prohibition of payment uncollectible premium
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummers: AWB 20/4549 V-nummer: [#] uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen [naam], eiser, [gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen] en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft bij besluit van 7 mei 2020 (het bestreden besluit) het bezwaar van eiser tegen de weigering om aan hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel arbeid als zelfstandige (start up) te verstrekken kennelijk ongegrond verklaard. Eiser heeft 4 juni 2020 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Overwegingen 1. Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb wordt van de indiener van een beroepschrift griffierecht geheven. Voor eiser is het griffierecht vastgesteld op €178,-.

2. De griffier stelt een termijn voor de betaling van het griffierecht. Als binnen deze termijn geen betaling heeft plaatsgevonden, is het beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit volgt uit artikel 8:41, vierde, vijfde en zesde lid, van de Awb.

3. Bij aangetekende brief van 10 juli 2020 is eiser eraan herinnerd dat hij nog niet had voldaan aan de uitnodiging om het griffierecht te betalen en is hem verzocht om binnen vier weken alsnog tot betaling over te gaan.

4. Uit informatie van PostNL blijkt dat op 14 juli 2020 de aangetekende brief door de gemachtigde van eiser in ontvangst is genomen.

5. Tot op heden heeft de rechtbank van eiser geen betaling van het griffierecht ontvangen. Het is de rechtbank niet gebleken dat dit niet aan eiser is toe te rekenen.

6. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2020. Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.