Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:12567 ECLI:NL:RBDHA:2020:12567 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:12567 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:12567
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL20.13057 V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser (gemachtigde: [naam] ), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: [naam] ). Procesverloop Op 21 december 2019 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij uitspraak van 3 februari 2020 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, het beroep gegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:12567 · Rechtbank Den Haag: De rechtbank is van oordeel dat het niet bevoegd is om de verschuldigdheid en hoogte vast te stellen van een door een rechtbank aan haar uitspraak verbonden nadere dwangsom en overweegt daartoe als volgt. De bestuursrechter verbindt een nadere dwangsom aan zijn uitspraak op een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. Dat volgt uit artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Volgens vaste rechtspraak kan een dergelijke dwangsom ten uitvoer worden gelegd volgens de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Keywords

AI generated
delayed asylum application stay of deportation order periodic penalty payments coercive measure in immigration law suspension of naturalization duration of stay

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2014:3777
201309489/1/A3. Datum uitspraak: 22 oktober 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Economische Zaken, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, van 28 augustus 2013 in zaak nr. 12/4623 in het geding tussen: de stichtingen Stichting Baanstee-Noord, NEE!, gevestigd te Middelie, gemeente Zeevang, en de Stichting Behoud Waterland, gevestigd te Broek in Waterland, gemeente Waterland (hierna: de stichtingen) en de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (thans: de staatssecretaris van Economische Zaken, hierna: de staatsecretaris).
ECLI:NL:RVS:2020:1152
201904870/1/A3. Datum uitspraak: 29 april 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Amsterdam, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 mei 2019 in zaak nr. 18/5543 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Procesverloop Bij brief van 15 februari 2018 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een huisvestingsvergunning afgewezen. Tevens heeft het college bepaald dat het [appellant] een dwangsom van € 2.300,00 verschuldigd is.
ECLI:NL:RBDHA:2020:8762
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL20.13345 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser geboren op [geboortedatum] , van Syrische nationaliteit, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A. Khalaf), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M.J. Hofstra). Procesverloop Eiser heeft, nadat hij verweerder op 19 december 2019 een ingebrekestelling heeft gestuurd, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag van 29 november 2018 tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL20.13057 V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser (gemachtigde: [naam] ), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: [naam] ). Procesverloop Op 21 december 2019 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij uitspraak van 3 februari 2020 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, het beroep gegrond verklaard.

Bij besluit van 11 juni 2020 heeft verweerder de aanvraag van eiser ingewilligd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft daarop gereageerd. De zitting was gepland op 28 oktober 2020. De rechtbank heeft aan partijen gevraagd om de zaak zonder zitting af te doen. Partijen hebben hiermee ingestemd. Overwegingen Waarover gaat deze uitspraak? 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of zij bevoegd is kennis te nemen van het beroep van eiser tegen de vaststelling van de hoogte van de door verweerder verschuldigde rechterlijke dwangsom.

Hoe is de aanvraag van eiser behandeld? 2. Op 20 mei 2019 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 21 december 2019 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. Bij uitspraak van 3 februari 2020 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Roermond verweerder opgedragen om binnen vier weken na de dag van bekendmaking van de uitspraak een besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.

3. De aanvraag van eiser is bij besluit van 11 juni 2020 ingewilligd. Verweerder heeft in de begeleidende brief bij dit besluit een rechterlijke dwangsom toegekend van in totaal € 1.500,-. Hoewel de beslistermijn van 4 weken volgens verweerder verliep op 4 maart 2020, wordt over de periode van 16 maart 2020 tot 9 juni 2020 geen dwangsom berekend vanwege de overmachtssituatie waar verweerder zich in bevond gelet op de gevolgen van de coronamaatregelen. Is de rechtbank bevoegd om de vaststelling van de hoogte van de verbeurde dwangsom te beoordelen? 4. Eiser is het niet eens met de vaststelling van de hoogte van de verbeurde rechterlijke dwangsom die de rechtbank met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de uitspraak van 3 februari 2020 heeft verbonden.

5. Verweerder voert aan dat de rechtbank onbevoegd is om de verschuldigdheid en hoogte van een op grond van een eerdere uitspraak verbeurde dwangsom vast te stellen. Eiser moet zich tot de burgerlijke rechter wenden. Verweerder verwijst hierbij naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6. Eiser betwist het standpunt van verweerder en doet een beroep op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag van 8 september 2020 waarin de rechtbank wel de hoogte van de rechterlijke dwangsom heeft vastgesteld.

7. De rechtbank is van oordeel dat het niet bevoegd is om de verschuldigdheid en hoogte vast te stellen van een door een rechtbank aan haar uitspraak verbonden nadere dwangsom en overweegt daartoe als volgt. De bestuursrechter verbindt een nadere dwangsom aan zijn uitspraak op een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. Dat volgt uit artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Volgens vaste rechtspraak kan een dergelijke dwangsom ten uitvoer worden gelegd volgens de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

De bevoegdheid tot het nemen van die beslissing is niet aan het publiekrecht ontleend, zodat die beslissing geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb oplevert. Tegen die beslissing kan daarom ook geen beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter. Dat verweerder in de begeleidende brief bij het besluit van 11 juni 2020 heeft aangegeven wat volgens hem de hoogte is van de uit te keren rechterlijke dwangsom, is bestuursrechtelijk gezien een mededeling en maakt dat dus niet anders. Het beroep van eiser op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag van 8 september 2020 maakt het voorgaande evenmin anders.

Daarbij is van belang dat uit deze uitspraak niet blijkt op basis van welke rechtsgrondslag de rechtbank is overgegaan tot vaststelling van de hoogte van de rechterlijke dwangsom. Wat is de conclusie van de rechtbank? 8. De rechtbank is daarom onbevoegd om kennis te nemen van het beroep. Daarvoor moet eiser zich wenden tot de burgerlijke rechter. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart zich onbevoegd. Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, in aanwezigheid van E.P.W. Kwakman, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. NL19.31310. Uitspraken van 22 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3777 en 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1152. ECLI:NL:RBDHA:2020:8762. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1152.