Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:12495 ECLI:NL:RBDHA:2020:12495 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:12495 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:12495
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amersfoort Bestuursrecht zaaknummer: NL19.28472 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , eiseres (V-nummer: [V-mummeraanduiding 1] ), mede namens haar minderjarige zoon, [naam minderjarige] , (V-nummer: [V-nummeraanduiding 2] ) (gemachtigde: mr. E.W.M. ter Meulen), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen). Procesverloop Bij besluit van 22 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:12495 · Rechtbank Den Haag: De rechtbank heeft partijen op 9 oktober 2020 gevraagd om te reageren op deze uitspraken van de ABRvS en toe te lichten wat dit betekent voor de beroepsprocedure. Op 13 en 14 oktober 2020 hebben partijen een reactie ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2020. Eiseres is niet verschenen. De gemachtigde van eiseres is, met kennisgeving, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. 1 NL19.28473. 2 ECLI:NL:RVS:2020:986, ECLI:NL:RVS:2020:987, ECLI:NL:RVS:2020:1848, ECLI:NL:RVS:2020:1849, ECLI:NL:RVS:2020:1850.

Keywords

AI generated
loss of legal interest declaration of presumed death loss of object withdrawal leading to termination extinction of a real right loss of citizenship

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2020:986
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, 2.
ECLI:NL:RVS:2020:987
201907435/1/V1. Datum uitspraak: 8 april 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling] mede voor haar minderjarige kind, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 oktober 2019 in zaak nr. NL19.21436 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 10 september 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2020:1848
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, 2.
ECLI:NL:RVS:2020:1849
202000881/1/V1. Datum uitspraak: 5 augustus 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 31 januari 2020 in zaken nrs. NL19.24960 en NL19.24969 in het geding tussen: [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluiten van 18 oktober 2019 heeft de staatssecretaris aanvragen om de vreemdelingen een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2020:1850
201907763/1/V1. Datum uitspraak: 5 augustus 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 16 oktober 2019 in zaken nrs. NL19.22609 en NL19.22611 in het geding tussen: [de vreemdelingen], mede voor hun minderjarige kinderen, en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluiten van 23 september 2019 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amersfoort Bestuursrecht zaaknummer: NL19.28472 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , eiseres (V-nummer: [V-mummeraanduiding 1] ), mede namens haar minderjarige zoon, [naam minderjarige] , (V-nummer: [V-nummeraanduiding 2] ) (gemachtigde: mr. E.W.M. ter Meulen), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen). Procesverloop Bij besluit van 22 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verder heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. In de uitspraak van 17 december 20191 heeft de voorzieningenrechter het verzoek toegewezen en bepaald dat eiseres niet mag worden overgedragen aan Italië totdat op haar beroep is beslist. De beroepsprocedure is tot nader orde aangehouden. Op 8 april 2020 en op 5 augustus 2020 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) een aantal uitspraken gedaan2 die van belang zijn voor deze beroepsprocedure.

De rechtbank heeft partijen op 9 oktober 2020 gevraagd om te reageren op deze uitspraken van de ABRvS en toe te lichten wat dit betekent voor de beroepsprocedure. Op 13 en 14 oktober 2020 hebben partijen een reactie ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2020. Eiseres is niet verschenen. De gemachtigde van eiseres is, met kennisgeving, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. 1 NL19.28473. 2 ECLI:NL:RVS:2020:986, ECLI:NL:RVS:2020:987, ECLI:NL:RVS:2020:1848, ECLI:NL:RVS:2020:1849, ECLI:NL:RVS:2020:1850.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Overwegingen 1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiseres procesbelang heeft bij het beroep. Bij bericht van 13 oktober 2020 heeft de gemachtigde van eiseres laten weten dat het niet lukt om contact te krijgen met eiseres en zij dus ook niet kan reageren op de uitspraken van de ABRvS. Verweerder heeft de rechtbank op 14 oktober 2020 via een bericht in het digitale dossier medegedeeld dat het Centraal Orgaan opvang asielzoekers heeft gemeld dat eiseres op 23 juli 2020 met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken. Gemachtigde van eiseres heeft de rechtbank op 23 november 2020 laten weten dat zij niet ter zitting zal verschijnen en dat zij geen contact meer heeft gehad met eiseres.

3. Uit vaste rechtspraak van de ABRvS blijkt dat, als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel vanuit gegaan moet worden dat die vreemdeling geen prijs stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op het verzoek. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt 4.

Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden neemt de rechtbank aan dat eiseres met onbekende bestemming is vertrokken en dat zij geen prijs meer stelt op de door haar aanvankelijk gezochte bescherming hier te lande. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiseres geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2020 door mr. L.A. Banga, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: 01 december 2020 Documentcode:

DSR13392813 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.