Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:11160 ECLI:NL:RBDHA:2020:11160 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:11160 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:11160
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: AWB 20/728 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 november 2020 in de zaak tussen [naam eiser] , eiser, V-nummer: [nummer] gemachtigde: mr. S.J. van der Woude, en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, gemachtigde mr. H. El Hajoui. Procesverloop Bij besluit van 23 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de ongewenstverklaring van eiser opgeheven en aan hem een inreisverbod voor de duur van tien jaren opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8 van het EVRM; ECLI:NL:RBDHA:2020:11160 · Rechtbank Den Haag: Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte zijn langdurig verblijf in Nederland, zijn in Nederland wonende familieleden, het feit dat hij in Nederland een opleiding heeft gevolgd en vloeiend Nederlands spreekt niet of onvoldoende kenbaar heeft meegewogen bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM. Die beroepsgrond slaagt niet. 5.1. Eiser is op 27 juni 2019 gehoord over het voornemen om tegen hem een inreisverbod voor de duur van tien jaren uit te vaardigen. De rechtbank stelt vast dat eiser ten aanzien van de vraag of er nog bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan zou moeten worden afgezien van het inreisverbod of het verkorten van de duur ervan, niets naar voren heeft gebracht.

Keywords

AI generated
entry ban family residence permit deportation of family unlawful stay removal repeated immigration violations

Cited Legislation

AI generated
artikel 8 van het EVRM
Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte zijn langdurig verblijf in Nederland, zijn in Nederland wonende familieleden, het feit dat hij in Nederland een opleiding heeft gevolgd en vloeiend Nederlands spreekt niet of onvoldoende kenbaar heeft meegewogen bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBAMS:2017:9448
Uit een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 15 december 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:9448) blijkt dat het beroep tegen het terugkeerbesluit van 30 november 2017 ongegrond is verklaard, en dat eiser en zijn gemachtigde bij de behandeling van dat beroep ter zitting zijn verschenen.
ECLI:NL:RVS:2014:895
201308944/1/V1. Datum uitspraak: 7 maart 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Assen, van 25 juli 2013 in zaak nr. 13/8532 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 26 maart 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen opnieuw afgewezen alsmede tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.
ECLI:NL:RVS:2020:57
201907654/1/V3. Datum uitspraak: 13 januari 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 11 oktober 2019 in zaken nrs. NL19.22761 en NL19.23058 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 23 september 2019 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit) en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: AWB 20/728 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 november 2020 in de zaak tussen [naam eiser] , eiser, V-nummer: [nummer] gemachtigde: mr. S.J. van der Woude, en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, gemachtigde mr. H. El Hajoui. Procesverloop Bij besluit van 23 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de ongewenstverklaring van eiser opgeheven en aan hem een inreisverbod voor de duur van tien jaren opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2020. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De gemachtigde van verweerder is fysiek ter zitting verschenen. Overwegingen 1. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser vanwege meerdere (recente) (gewelds)delicten een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving is. Niet is gebleken van bijzondere individuele omstandigheden om af te zien van een inreisverbod of een inreisverbod voor kortere duur op te leggen.

Het inreisverbod is niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2. Eiser heeft aangegeven dat het beroep niet is gericht tegen het besluit tot opheffing van de ongewenstverklaring.

3. De beroepsgrond dat aan eiser geen inreisverbod kon worden uitgevaardigd omdat een geldig terugkeerbesluit ontbreekt, slaagt niet. 3.1. Uit een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 15 december 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:9448) blijkt dat het beroep tegen het terugkeerbesluit van 30 november 2017 ongegrond is verklaard, en dat eiser en zijn gemachtigde bij de behandeling van dat beroep ter zitting zijn verschenen.

4. De beroepsgrond dat de twee recente veroordelingen van eiser niet bij de vraag of hij een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt kon worden betrokken omdat in beide zaken hoger beroep is ingesteld, slaagt ook niet. 4.1. Eiser is bij vonnis van 10 april en 4 september 2019 veroordeeld tot een gevangenisstraf van in totaal dertien maanden voor het plegen van diefstal, diefstal in vereniging en diefstal met geweld en het bezit van een verboden en giftige stof. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 7 maart 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:895) volgt dat noch de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), noch het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) als voorwaarde stelt dat dergelijke veroordelingen onherroepelijk moeten zijn. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het uitvaardigen van het inreisverbod en de duur ervan niet in overeenstemming met artikel 66a, vierde lid van de Vw 2000 juncto artikel 6.5, vijfde lid, onder a van de Vb 2000 is.

5. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte zijn langdurig verblijf in Nederland, zijn in Nederland wonende familieleden, het feit dat hij in Nederland een opleiding heeft gevolgd en vloeiend Nederlands spreekt niet of onvoldoende kenbaar heeft meegewogen bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM. Die beroepsgrond slaagt niet. 5.1. Eiser is op 27 juni 2019 gehoord over het voornemen om tegen hem een inreisverbod voor de duur van tien jaren uit te vaardigen. De rechtbank stelt vast dat eiser ten aanzien van de vraag of er nog bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan zou moeten worden afgezien van het inreisverbod of het verkorten van de duur ervan, niets naar voren heeft gebracht.

De rechtbank ziet daarom, mede gelet op de Afdelingsuitspraak van 13 januari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:57), geen grond voor het oordeel dat verweerder het feit dat eiser een opleiding in Nederland heeft gevolgd en dat hij vloeiend Nederlands spreekt had moeten betrekken. 5.2. Wat de gestelde lange duur van zijn verblijf in Nederland betreft blijkt uit het bezwaarschrift ter zake van het opleggen van de ongewenstverklaring van 26 juli 2007 dat eisers toenmalige gemachtigde net als verweerder ervan uit is gegaan dat eiser met zijn stiefvader in januari 1994 vanuit Marokko naar Nederland is gekomen.

Dat eiser sinds zijn vijfde levensjaar - de rechtbank begrijpt sinds 1989 - in Nederland woont heeft hij, gezien dit verschil niet aannemelijk kunnen maken. Verder heeft verweerder minder zwaar gewicht kunnen toekennen aan het feit dat eiser dertien jaren in Nederland heeft gewoond, gelet op de (gewelds)delicten die hij heeft gepleegd (zie uittreksel Justitie Documentatie van 8 januari 2020). 5.3. Verweerder heeft ook de relatie met de in Nederland verblijvende familieleden voldoende (kenbaar) meegewogen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij een zodanige band (“more than the normal emotional ties”) met zijn familieleden heeft dat er sprake is van familie – of gezinsleven dat onder bescherming van artikel 8 van het EVRM valt.

Immers tijdens het gehoor van 27 juni 2019 heeft hij enkel verklaard dat hij de wens heeft om zijn familieleden te kunnen bezoeken en dat er overigens geen objectieve belemmering is voor zijn familieleden om hem te bezoeken in Marokko. Dat bepaalde passages in het bestreden besluit een standaard karakter hebben maakt niet dat deze om die reden toepassing mist dan wel onvoldoende op de situatie van eiser is toegespitst.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan op 3 november 2020. De griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.