Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:10707 ECLI:NL:RBDHA:2020:10707 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:10707 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:10707
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummers: NL20.6686 en NL20.6691 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [naam] eiser, en [naam] , eiseres, gezamenlijk te noemen: eisers, mede voor hun minderjarige kinderen [naam] en [naam], V-nummers: [V-nummer], [V-nummer], [V-nummer], [V-nummer] en [V-nummer] (gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen). Procesverloop Bij twee afzonderlijke besluiten van 13 maart 2020 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Bondsrepubliek Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Legislator headnote

AI generated

artikel 64 van de Vw; ECLI:NL:RBDHA:2020:10707 · Rechtbank Den Haag: Verweerder vindt dat dit niet het geval is: verweerder is eisers niet tegemoetgekomen omdat sprake is van veranderde omstandigheden, gelegen in het feit dat eisers op 4 september 2020 uitstel van vertrek hebben gekregen op grond van artikel 64 van de Vw. Eisers zijn het daar niet mee eens omdat de jurisprudentie waarop verweerder zich beroept, betrekking heeft op het verstrijken van de overdrachtstermijn en daarvan is in hun geval geen sprake. Zij vinden dat de gewijzigde omstandigheden zijn ontstaan door toedoen van verweerder.

Keywords

AI generated
expulsion despite persecution risk exposure to danger assessment of flight risk revision of asylum decision stay of deportation order asylum policy

Cited Legislation

AI generated

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2020:2140
201906935/1/V1. Datum uitspraak: 9 september 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [vreemdeling1] en [vreemdeling 2], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 9 september 2019 in zaken nrs. NL19.16912 en NL19.16914 in het geding tussen: de vreemdelingen en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluiten van 19 juli 2019 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2018:1423
201708371/1/V1. Datum uitspraak: 26 april 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 22 september 2017 in zaak nr. 16/15244 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 10 juli 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2019:1084
201806051/1/V3. Datum uitspraak: 8 april 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 20 juli 2018 in zaak nr. NL18.10957 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 8 juni 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2019:1394
201901385/1/V3. Datum uitspraak: 29 april 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 8 februari 2019 in zaak nr. NL19.1037 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 15 januari 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummers: NL20.6686 en NL20.6691 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [naam] eiser, en [naam] , eiseres, gezamenlijk te noemen: eisers, mede voor hun minderjarige kinderen [naam] en [naam], V-nummers: [V-nummer], [V-nummer], [V-nummer], [V-nummer] en [V-nummer] (gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen). Procesverloop Bij twee afzonderlijke besluiten van 13 maart 2020 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Bondsrepubliek Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Op 22 september 2020 heeft verweerder bericht dat de bestreden besluiten zijn ingetrokken. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2020. Eisers en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Na afloop van de behandeling van de zaken ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk. Overwegingen 1. Gelet op het bericht van 22 september 2020 en de ter zitting gegeven toelichting van verweerder staat vast dat de bestreden besluiten zijn ingetrokken en dat eisers alsnog zullen worden opgenomen in de nationale asielprocedure.

2. Daarmee hebben eisers bereikt wat zij in beroep wilden bereiken. Verweerder zal hun asielaanvragen immers alsnog inhoudelijk beoordelen. Eisers hebben daarom geen belang meer bij de inhoudelijke beoordeling van hun beroepen. De vraag of verweerder moet worden veroordeeld in de proceskosten levert evenmin procesbelang op.

3. De beroepen zijn daarom niet-ontvankelijk.

4. Vervolgens zal worden beoordeeld of verweerder in de proceskosten van eisers moet worden veroordeeld. Verweerder heeft de bestreden besluiten immers ingetrokken.

5. Verweerder vindt dat dit niet het geval is: verweerder is eisers niet tegemoetgekomen omdat sprake is van veranderde omstandigheden, gelegen in het feit dat eisers op 4 september 2020 uitstel van vertrek hebben gekregen op grond van artikel 64 van de Vw. Eisers zijn het daar niet mee eens omdat de jurisprudentie waarop verweerder zich beroept, betrekking heeft op het verstrijken van de overdrachtstermijn en daarvan is in hun geval geen sprake. Zij vinden dat de gewijzigde omstandigheden zijn ontstaan door toedoen van verweerder.

6. Ter zitting is gebleken dat de aanvraag voor toepassing van artikel 64 van de Vw op 20 juni 2020 door verweerder is ontvangen. Dat is ruim drie maanden na de bestreden besluiten. Het uitstel van vertrek om medische redenen was ten tijde van de bestreden besluiten dus niet aan de orde. De rechtbank is om die reden van oordeel dat niet gesproken kan worden van het tegemoetkomen aan eisers, of het anderszins vervallen van het procesbelang door toedoen van verweerder. Voor dit oordeel wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2020. Weliswaar was in die zaak sprake van het verstrijken van de overdrachtstermijn, maar ook daar was beslissend dat de gestelde omstandigheid zich na het bestreden besluit voordeed.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat dan ook geen aanleiding. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2020 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Zie ook de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), onder meer de uitspraak van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2140. Zo ook: Afdeling 26 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1423. Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft aangehaald de Afdelingsuitspraken van Raad van State van 8 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1084 en 29 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1394. ECLI:NL:RVS:2020:2140.