Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:10604 ECLI:NL:RBDHA:2020:10604 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:10604 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:10604
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 20/4603 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 oktober 2020 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser, en de Kroon, verweerder (gemachtigde: mr. P.M. van der Weijden). Procesverloop Bij brief van 19 juni 2019 heeft de staatssecretaris van Defensie (de staatssecretaris) eiser met ingang van 1 oktober 2019 eervol ontslag verleend. De staatssecretaris heeft vermeld dat het koninklijk/ministeriële besluit met betrekking tot eisers ontslag is aangevraagd bij het Bureau Secretaris-Generaal en dat deze na goedkeuring zo spoedig mogelijk aan eiser wordt toegezonden.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBDHA:2020:10604 · Rechtbank Den Haag: Als sprake is van twee beslissingen met hetzelfde rechtsgevolg, is de beslissing die in overeenstemming is met de wet het besluit, aldus eiser. Verder heeft eiser aangevoerd dat de kopie van het koninklijk besluit dat hij heeft ontvangen niet is ondertekend en dat hem ook niet is aangeboden dat hij een ondertekende versie mocht inzien. Juridisch kader 4. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Op grond van artikel 38, eerste lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (Amar) geschiedt het verlenen van ontslag aan de militair met een officiersrang bij koninklijk besluit.

Keywords

AI generated
right to a decision dismissal of civil servant withdrawal of action withdrawal of administrative act withdrawal of suspensive effect leave for military service

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2020:511
19939 MAW Datum uitspraak: 28 februari 2020 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 januari 2019, 18/1321 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Kroon, vertegenwoordigd door de staatssecretaris van Defensie (Kroon) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. F.J.M. Kobossen, advocaat, hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2020.
ECLI:NL:RVS:2005:AU5355
Procesverloop Bij besluit van 5 december 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wageningen (hierna: het college) de aanvraag van [aanvragers] om een bouwvergunning voor het vergroten van de woning op het perceel [locatie] te [plaats] afgewezen. Bij besluit van 29 januari 2003 heeft het college het besluit van 5 december 2002 ingetrokken en de gevraagde bouwvergunning verleend. Bij besluit van 17 september 2003 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, het besluit van 29 januari 2003 tot verlening van de bouwvergunning ingetrokken en de van rechtswege verleende vergunning, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten.
ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2676
12/2205 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 13 maart 2012, 11/1969 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 20/4603 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 oktober 2020 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser, en de Kroon, verweerder (gemachtigde: mr. P.M. van der Weijden). Procesverloop Bij brief van 19 juni 2019 heeft de staatssecretaris van Defensie (de staatssecretaris) eiser met ingang van 1 oktober 2019 eervol ontslag verleend. De staatssecretaris heeft vermeld dat het koninklijk/ministeriële besluit met betrekking tot eisers ontslag is aangevraagd bij het Bureau Secretaris-Generaal en dat deze na goedkeuring zo spoedig mogelijk aan eiser wordt toegezonden.

Op 18 juli 2019 heeft de Kroon eiser met ingang van 1 oktober 2019 eervol ontslag verleend. Bij besluit van 28 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Overwegingen 1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Het bestreden besluit 2. Bij het bestreden besluit heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de brief van 19 juni 2019 is gericht op het rechtsgevolg om eiser ontslag te verlenen.

Daarmee staat het besluitkarakter vast. Omdat dit besluit is voorzien van een juiste rechtsmiddelenclausule, is eiser gewaarschuwd voor het niet maken van bezwaar tegen dit besluit. Daarmee komt het voor eisers rekening en risico dat het besluit van 19 juni 2019 in rechte is komen vast te staan omdat eiser er niet (tijdig) bezwaar tegen heeft gemaakt. De omstandigheid dat dit besluit mogelijk onbevoegd is genomen, betekent naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) niet dat daarmee het besluitkarakter aan dit document is ontvallen en dat het besluit geen rechtsgevolg zou kunnen hebben.

Het koninklijk besluit van 18 juli 2019 is daarmee een schriftelijke herhaling van het besluit van 19 juni 2019, waarmee geen ander rechtsgevolg is ontstaan dan reeds bij het besluit van 19 juni 2019 tot stand is gekomen. Het feit dat in het besluit van 19 juni 2019 is vermeld dat het koninklijk besluit met betrekking tot eisers ontslag zo spoedig mogelijk aan eiser zou worden toegezonden, maakt dit niet anders. Er is immers daarbij niet vermeld, dat het beoogde rechtsgevolg van het besluit van 19 juni 2019, zonder de totstandkoming van het koninklijk besluit niet zou intreden.

Ook wordt er geen mogelijkheid opengelaten dat het koninklijk besluit in het geheel niet zou worden genomen of anders zou luiden dan het besluit van 19 juni 2019. Het betoog van eiser 3. Eiser heeft aangevoerd dat het koninklijk besluit een besluit is in de zin van de Awb. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de wet zegt dat het verlenen van ontslag aan een militair met een officiersrang bij koninklijk besluit geschiedt. De brief van 19 juni 2019 spreekt van goedkeuring die zal worden aangevraagd. Dit duidt op vrije wilsbeschikking en op een bevoegdheid om een besluit te nemen.

Als sprake is van twee beslissingen met hetzelfde rechtsgevolg, is de beslissing die in overeenstemming is met de wet het besluit, aldus eiser. Verder heeft eiser aangevoerd dat de kopie van het koninklijk besluit dat hij heeft ontvangen niet is ondertekend en dat hem ook niet is aangeboden dat hij een ondertekende versie mocht inzien. Juridisch kader 4. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Op grond van artikel 38, eerste lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (Amar) geschiedt het verlenen van ontslag aan de militair met een officiersrang bij koninklijk besluit.

Het oordeel van de rechtbank 5. Naar het oordeel van de rechtbank is de brief van 19 juni 2019 een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. In deze brief heeft de staatssecretaris vermeld dat hij handhaving van eisers dienstverhouding niet langer nodig achtte en dat in verband hiermede aan eiser eervol ontslag werd verleend met ingang van 1 oktober 2019. Onderaan de brief is vermeld dat eiser daartegen bezwaar kon maken. De opmerking dat het koninklijk/ministeriële besluit na goedkeuring zo spoedig mogelijk aan eiser zou worden toegezonden neemt, gelet op deze omstandigheden, niet weg dat met de brief van 19 juni 2019 duidelijk is beoogd het dienstverband van eiser te beëindigen.

Het begrip na goedkeuring moet in de brief van 19 juni naar het oordeel van de rechtbank worden verstaan in de betekenis van “na ondertekening door de koning”. Dat er aan dat besluit een bevoegdheidsgebrek kleeft, betekent naar vaste rechtspraak van de CRvB niet dat daarmee het besluitkarakter aan de brief is ontvallen en dat het besluit geen rechtsgevolg zou kunnen hebben. Dit besluit is niet van rechtswege nietig, aangezien het aan dit besluit klevende bevoegdheidsgebrek niet zo evident is dat dit een ieder redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn.

De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de uitspraak van de CRvB van 28 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:511 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 november 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU5355.

6. Het koninklijk besluit van 18 juli 2019 is geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dat een koninklijk besluit bij het verlenen van ontslag aan de militair met een officiersrang in overeenstemming is met het Amar, neemt niet weg dat een herhaald besluit geen besluit is. De publiekrechtelijke rechtshandeling, het rechtsgevolg - ontslag per 1 oktober 2019 - in dit geval al teweeggebracht door het - niet aangevochten - besluit van 19 juni 2019. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de CRvB van 28 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2676. Verweerder heeft het bezwaar tegen het koninklijk besluit terecht niet-ontvankelijk verklaard.

7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dit betekent dat de rechtbank niet ingaat op wat eiser heeft aangevoerd over de ondertekening van het koninklijk besluit.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W.J. Sloots, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2020. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.