Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:10459 ECLI:NL:RBDHA:2020:10459 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:10459 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:10459
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummers: NL20.14775 en NL20.14776 uitspraak van de enkelvoudige kamer als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaken tussen [eiseres] , eiseres V-nummer: [nummer 1] en [eiser] , eiser V-nummer: [nummer 2] hierna tezamen: eisers (gemachtigde: mr. J. Bravo Mougán), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder Procesverloop Op 30 juli 2020 hebben eisers beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvragen tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:55c van de Awb, artikel 4:17 van de Awb, artikel 4:18 van de Awb; ECLI:NL:RBDHA:2020:10459 · Rechtbank Den Haag: Op grond van artikel 42, eerste lid van de Vw had verweerder uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvragen beschikkingen moeten geven. Verweerder heeft erkend dat die beslistermijn is overschreden. Nu verweerder tot op heden geen beslissingen op de asielaanvragen heeft genomen, eisers verweerder op 8 juli 2020 in gebreke hebben gesteld en zij (meer dan) twee weken daarna beroep hebben ingesteld, zijn de beroepen kennelijk gegrond.

Keywords

AI generated
reasonable duration of the proceedings prolongation of tutelage untimely request for extension prosecutorial delay postponement of trial right to a decision

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
artikel 8:55c van de Awb
Eisers hebben de rechtbank op grond van artikel 8:55c van de Awb verzocht de hoogte van de door verweerder verbeurde dwangsom vast te stellen.
artikel 4:17 van de Awb
Op grond van artikel 4:17 van de Awb is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is de dag waarop twee weken verstreken zijn nadat het bestuursorgaan rechtsgeldig in gebreke is gesteld en verbeurt het bestuursorgaan dwangsommen voor ten hoogste 42 dagen.
artikel 4:18 van de Awb
Ook de termijn van artikel 4:18 van de Awb is inmiddels verstreken.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2020:1560
202000935/1/V1.Datum uitspraak: 8 juli 2020 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 28 januari 2020 in zaak nr. NL19.29203 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop De vreemdeling heeft tegen het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel te verlenen beroep ingesteld bij de rechtbank.
ECLI:NL:RVS:2018:3934
201806573/1/V1. Datum uitspraak: 3 december 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 12 juli 2018 in zaken nrs. 16/20064 en 16/20066 in het geding tussen: de vreemdelingen en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 14 augustus 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en geweigerd om hun ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen en te bepalen dat hun uitzetting krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) achterwege blijft.
ECLI:NL:RVS:2020:1624
202001512/1/V1. Datum uitspraak: 15 juli 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 4 februari 2020 in zaken nrs. NL19.25928, NL19.25935, NL19.25939 en NL19.25940 in het geding tussen: [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kinderen, en de staatssecretaris. Procesverloop De vreemdelingen hebben tegen het uitblijven van een besluit op hun aanvragen om hun een verblijfsvergunning asiel te verlenen beroepen ingesteld bij de rechtbank.
ECLI:NL:RVS:2015:3404
201503518/2/A3. Datum uitspraak: 22 oktober 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 maart 2015 in zaak nr. 14/5508 in het geding tussen: [wederpartij A], [wederpartij B] en [wederpartij C] (hierna in enkelvoud: [wederpartij]), wonend te [woonplaats] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 28 april 2014 heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat hij [wederpartij] geen dwangsom is verschuldigd wegens niet-tijdig beslissen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummers: NL20.14775 en NL20.14776 uitspraak van de enkelvoudige kamer als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaken tussen [eiseres] , eiseres V-nummer: [nummer 1] en [eiser] , eiser V-nummer: [nummer 2] hierna tezamen: eisers (gemachtigde: mr. J. Bravo Mougán), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder Procesverloop Op 30 juli 2020 hebben eisers beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvragen tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000.

Overwegingen 1. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit. Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de bestuursrechter, indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. Op grond van het tweede lid, voor zover hier van belang, verbindt de bestuursrechter aan zijn uitspraak een nadere dwangsom voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. Op grond van het derde lid, voor zover hier van belang, kan de bestuursrechter in bijzondere gevallen of indien de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen.

2. De rechtbank heeft bij brief van 30 juli 2020 aan verweerder gevraagd om alle stukken in te dienen die op de zaak betrekking hebben en om een verweerschrift in te dienen. Verweerder heeft bij brief van 7 augustus 2020 uitgebreid verweer gevoerd. 2.1. In die brief heeft verweerder het standpunt ingenomen dat gelet op de doorlooptijden in asielzaken, de achterstanden bij de IND, en de genomen maatregelen inzake het coronavirus, een haalbare en realistische maatwerkvoorziening of termijn moet worden opgelegd. Volgens verweerder is de termijn voor de (gezamenlijke) bestuurlijke dwangsom gaan lopen met ingang van 23 juli 2020. Daarnaast verzoekt verweerder de rechtbank om in lijn met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1560) een termijn van acht weken op te leggen voor het starten van de AA-procedure en nadat een gehoor is gehouden een termijn op te leggen van acht weken om alsnog te beslissen op de aanvragen. Verweerder verzoekt om een (gezamenlijke) rechterlijke dwangsom van maximaal € 50,- per dag.

3. Eisers hebben bij brief van 1 september 2020 gereageerd op het verweerschrift. Eisers voeren in deze brief aan dat de overschrijding van de wettelijke beslistermijn van inmiddels ruim een half jaar niet voortkomt uit overmacht door de coronacrisis, maar uit de eerdere politieke keuzes van verweerder. Eisers wijzen op arrest van het Hof van Justitie (HvJEU) van 12 april 2018, A.S., C-550/16, JV 2018/91, waaruit volgt dat asielzoekers niet de dupe mogen worden van factoren waarop zij geen invloed hebben, zoals politieke keuzes omtrent het aantal personeelsleden.

Eisers verzoeken de rechtbank om de hoogte van de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Volgens eisers bieden de Vreemdelingenwet en de Procedurerichtlijn geen basis voor het opleggen van een (lange) beslistermijn door de rechtbank. In dat geval zou ook WBV 2020/12, waarin uitdrukkelijk de beslistermijnen van oude zaken niet naar 1 jaar verlengd zijn, zijn doel voorbij schieten. Eisers stellen dat het inmiddels voor verweerder mogelijk is om hen te horen en dat het niet nodig is om een termijn op te leggen van acht weken om de AA-procedure te starten en vervolgens een termijn van acht weken op te leggen om alsnog op de aanvraag te beslissen.

In dit verband verwijzen eisers naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 12 juni 2020 (NL20.7537, de rechtbank betrekt deze brief niet bij haar oordeel, nu deze niet door eisers is overgelegd). Eisers verzoeken om een (hogere) rechterlijke dwangsom, als middel om het proces van het horen en beslissen te versnellen en zij stellen dat een lagere dwangsom averechts werkt. Volgens hen is geen sprake van samenhang, omdat zij afzonderlijke aanvragen hebben ingediend, zij hun vluchtrelaas afzonderlijk uiteen willen zetten en hun aanvragen door verweerder afzonderlijk worden behandeld.

Er is – ook bij de Raad voor de Rechtsbijstand – geen sprake van verknocht verband.

4. Op grond van artikel 42, eerste lid van de Vw had verweerder uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvragen beschikkingen moeten geven. Verweerder heeft erkend dat die beslistermijn is overschreden. Nu verweerder tot op heden geen beslissingen op de asielaanvragen heeft genomen, eisers verweerder op 8 juli 2020 in gebreke hebben gesteld en zij (meer dan) twee weken daarna beroep hebben ingesteld, zijn de beroepen kennelijk gegrond.

5. Eisers hebben de rechtbank op grond van artikel 8:55c van de Awb verzocht de hoogte van de door verweerder verbeurde dwangsom vast te stellen. 5.1. De ingebrekestellingen dateren van 8 juli 2020. Op grond van artikel 4:17 van de Awb is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is de dag waarop twee weken verstreken zijn nadat het bestuursorgaan rechtsgeldig in gebreke is gesteld en verbeurt het bestuursorgaan dwangsommen voor ten hoogste 42 dagen. Deze termijn is verstreken. Ook de termijn van artikel 4:18 van de Awb is inmiddels verstreken.

Verweerder heeft dus het maximale bedrag van € 1.442,- verbeurd. 5.2. Aanvragen kunnen inhoudelijk zodanig met elkaar samenhangen, dat een redelijke toepassing van de artikelen 4:17, eerste lid, en 8:55d, tweede lid, van de Awb met zich brengt dat het bestuursorgaan slechts één dwangsom heeft verbeurd of kan verbeuren. Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 3 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3934, onder 5 en 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1624, onder 5.1. Zoals volgt uit deze uitspraken, gaat de rechtbank er wanneer sprake is van een gezin, vanuit dat sprake is van samenhang tussen de asielaanvragen.

Het is aan eisers om aannemelijk te maken dat in hun geval van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. De stellingen van eisers dat zij een eigen asielrelaas hebben en dat er ook bij de Raad voor Rechtsbijstand geen sprake is van verknocht verband, is daartoe niet afdoende. Hierbij acht de rechtbank van belang dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat eisers als broer en zus een homogene groep vormen, zij samen (met hun ouders) in het land van herkomst woonden, zij samen naar Nederland zijn gereisd en zij hun aanvragen gelijktijdig hebben ingediend.

Eisers hebben verder ook niet uiteengezet dat en hoe hun asielrelazen inhoudelijk zozeer verschillen dat zij als afzonderlijk gezien moeten worden. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder één dwangsom voor eisers gezamenlijk heeft verbeurd.

6. De rechtbank stelt vast dat alleen op 17 juni 2019 aanmeldgehoren hebben plaatsgevonden en overweegt dat, gelet op de capaciteitsproblemen bij verweerder en de problemen door de coronacrisis, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank zal daarom een afwijkende beslistermijn bepalen. De rechtbank acht een nadere beslistermijn van zestien weken na de uitspraak redelijk. De rechtbank wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1560). Hetgeen eisers in beroep, zoals besproken onder 3. hebben aangevoerd, doet niet af aan het feit dat het in dit geval onrealistisch en onzorgvuldig is om een kortere beslistermijn op te leggen.

7. De rechtbank ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb te bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij deze termijn overschrijdt. Het staat de rechter vrij de hoogte van de dwangsom te bepalen, zolang hij daarbij redelijke grenzen in acht neemt. Het LOVB, waarin alle zittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag zijn vertegenwoordigd, heeft op 25 maart 2020 unaniem geadviseerd dat verweerder een dwangsom verbeurt van € 100,- voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, tot een maximum van € 7.500,-. De rechtbank ziet geen aanleiding daar nu van af te wijken. Verder bepaalt de rechtbank op dezelfde gronden als onder 5.2 dat deze dwangsom voor eisers gezamenlijk is.

8. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van de beroepen tot aan deze uitspraak redelijkerwijs hebben moeten maken. De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige zaken samenhangend zijn zoals bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). In artikel 3, eerste lid, van het Bpb is bepaald dat samenhangende zaken worden beschouwd als één zaak. Samenhangende zaken zijn, zo blijkt uit het tweede lid van dit artikel, door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de rechtbank gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. 8.1.

In de twee onderhavige zaken komen het onderwerp en het toetsingskader in zodanige mate overeen dat het redelijk is ervan uit te gaan dat in vergelijking met de behandeling van één zaak de behandeling van meer dan één zaak voor de rechtshulpverlener geen reële extra inspanning hoefde te vergen. Daarbij betrekt de rechtbank dat de beroepschriften en de reacties op het verweerschrift vrijwel gelijkluidend zijn. 8.2. Anders dan eisers hebben gesteld, zijn deze zaken naar het oordeel van de rechtbank van licht gewicht, omdat het bij deze beroepen uitsluitend gaat om het niet tijdig nemen van een besluit.

Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 22 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3404, onder 4, heeft overwogen, zijn niet het aantal en de omvang van de door eisers opgestelde documenten doorslaggevend voor het oordeel of de zaken bewerkelijk zijn, maar het gewicht van de zaken en de activiteiten die de gemachtigde in dat kader heeft moeten verrichten. Dat eisers een reactie op het verweerschrift hebben ingediend is hun eigen keuze. De rechtbank heeft hier niet om gevraagd en de noodzaak tot het indienen van deze reactie is niet veroorzaakt door een bepaalde procesbeslissing. 8.3.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 262,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 0,5).

9. Het verzoek van eisers om vergoeding van het griffierecht legt de rechtbank terzijde nu eisers geen griffierecht hebben hoeven betalen. Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond; - vernietigt het, met besluiten gelijk te stellen, niet tijdig nemen van beslissingen op de aanvragen van eisers; - stelt de door verweerder aan eisers gezamenlijk verbeurde dwangsom vast op € 1.442,-; - draagt verweerder op binnen zestien weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak alsnog besluiten op de aanvragen bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eisers gezamenlijk een dwangsom verbeurt van € 100,- per dag, voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid van mr. H.L. de Vries, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.