Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:10080 ECLI:NL:RBDHA:2020:10080 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:10080 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:10080
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL20.11391 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [naam] , verzoeker V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: A.M. Luigjes). Procesverloop Bij besluit van 26 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:10080 · Rechtbank Den Haag: Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting. Overwegingen 1. Verzoeker heeft verzocht om toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening. Verweerder heeft aangegeven zich daartegen niet te verzetten. De voorzieningenrechter ziet, gelet hierop, geen beletselen om het verzoek om een voorlopige voorziening als kennelijk gegrond toe te wijzen.

Keywords

AI generated
assignment to provisional status disability-related expenses referral order inducement to breach of contract consequences of withdrawal order of departure from territory
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL20.11391 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [naam] , verzoeker V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: A.M. Luigjes). Procesverloop Bij besluit van 26 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting. Overwegingen 1. Verzoeker heeft verzocht om toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening. Verweerder heeft aangegeven zich daartegen niet te verzetten. De voorzieningenrechter ziet, gelet hierop, geen beletselen om het verzoek om een voorlopige voorziening als kennelijk gegrond toe te wijzen.

2. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om voorlopige voorziening toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Duitsland totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.

3. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener. Beslissing De voorzieningenrechter: - treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Duitsland totdat is beslist op het beroep; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 525,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Zohrabian, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.