Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2020:10018 ECLI:NL:RBDHA:2020:10018 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2020:10018 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2020:10018
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Uitspraken van de ABRvS: 17 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:134; 9 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2159; 29 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3288 en 7 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1910. Eiser is hier naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd omdat hij geen identificerende documenten heeft overgelegd die zijn minderjarigheid onderbouwen. De bewijslast en dus ook het bewijsrisico liggen bij eiser. Dat eiser wat betreft de identificerende documenten in bewijsnood verkeert, is zonder nadere onderbouwing niet aannemelijk. Verweerder is op goede gronden uitgegaan van de meerderjarigheid van eiser.

Legislator headnote

AI generated

artikel 3 van het EVRM; ECLI:NL:RBDHA:2020:10018 · Rechtbank Den Haag: Dit kan onder bepaalde voorwaarden voor onbepaalde tijd worden verlengd. Ook blijkt uit dit artikel dat de open centra op verlaten industriegebieden liggen zonder verdere faciliteiten. Gezien de wijze waarop Malta met asielzoekers omgaat is het volgens eiser niet reëel te verwachten dat Malta een klacht van een asielzoeker over deze zaken serieus zal nemen. Eiser concludeert dan ook op basis van het voorgaande dat hij niet teruggestuurd kan worden naar Malta omdat hij daar een behandeling te vrezen heeft in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van het Handvest.

Keywords

AI generated
deportation despite health issues risk of overstaying prolonged absence abroad Albanian asylum request situation in country of origin principle of non-refoulement

Cited Legislation

AI generated
artikel 3 van het EVRM
Eiser heeft geen informatie overgelegd die aanleiding geeft voor het oordeel dat in het Maltese asiel- en opvangsysteem sprake is van systematische tekortkomingen of dat er een reëel risico is op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2017:134
201604688/1/V3 Datum uitspraak: 17 januari 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 16 juni 2016 in zaak nr. 16/10627 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 18 mei 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2017:2159
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, 2.
ECLI:NL:RVS:2017:3288
201708491/1/V3 en 201708491/2/V3 Datum uitspraak: 29 november 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vreemdelingenwet 2000, op het hoger beroep van: de minister van Veiligheid en Justitie, thans: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 18 oktober 2017 in zaak nr. NL17.8652 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris.
ECLI:NL:RVS:2018:1910
201709131/1/V3. Datum uitspraak: 7 juni 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 9 november 2017 in zaak nr. NL17.11331 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 23 oktober 2017 heeft de staatssecretaris (lees: de minister van Veiligheid en Justitie) een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2014:254
201307261/1/V4. Datum uitspraak: 23 januari 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling], tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 23 juli 2013 in zaken nrs. 13/14483 en 13/14484 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 4 juni 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.11783 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. H. Meijerink), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: J.R. Toussaint). Procesverloop Bij besluit van 3 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Malta verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL20.11784, plaatsgevonden op 28 juli 2020. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

In dit geval heeft Nederland bij Malta een verzoek om overname gedaan. Malta heeft dit verzoek aanvaard. Eiser voert aan dat hij het niet eens is met verweerder dat er niet wordt gevolgd dat er onterecht onderzoek is opgestart naar de leeftijd van eiser, omdat de werkwijze van de leeftijdsschouw niet in strijd is geweest met het bepaalde in C1/2.2. van de Vreemdelingencirculaire (Vc). Volgens eiser moeten de uitkomsten van de leeftijdsschouw onderbouwd worden en reëel zijn. Het verschil in uitkomst van de schouw van de Vreemdelingenpolitie (AVIM) en de schouw van verweerder is groot en verweerder verklaart dit verschil door te stellen dat tijdens het gehoor van de IND andere vragen zijn gesteld en de hoormedewerker haar eigen waarnemingen heeft meegewogen in de leeftijdsschouw.

Er wordt echter niet gemotiveerd om welke andere vragen het dan gaat. Het is ook merkwaardig dat de verschillen in de beoordelingen van de lichamelijke kenmerken van eiser op geen enkele wijze worden onderbouwd. Eiser acht het dan ook volstrekt onduidelijk op grond waarvan verweerder komt tot twijfel over de opgegeven leeftijd. Verder voert eiser aan dat het leeftijdsonderzoek dat is gedaan door de autoriteiten van Malta niet is overgelegd en er dus niet kan worden nagegaan of hetgeen dat wordt gesteld ook klopt. Het is merkwaardig dat op basis van een leeftijdsonderzoek de Maltese autoriteiten hem de specifieke (geboorte)datum [2001] hebben toegekend.

Eiser voert verder aan dat hij zich in bewijsnood bevindt ten aanzien van identificerende documenten die zijn minderjarigheid kunnen onderbouwen. Eiser heeft namelijk zelf geen documenten en zijn ouders ook niet. Eiser betwist verder dat er geen sprake zou zijn van ernstige op feiten berustende gronden om aan te nemen dat hij in Malta een reëel risico zal lopen op onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Eiser heeft op Malta in de gevangenis gezeten, waar hij is mishandeld.

Er zijn openbare bronnen die onderbouwen dat Malta regelmatig de mensenrechten schendt van asielzoekers. Eiser verwijst in dit verband naar een artikel uit Het Parool van 20 mei 2020, waaruit blijkt dat Malta asielzoekers onder schot naar Italië heeft gestuurd. Eiser verwijst ook naar een Wikipediabericht, waaruit blijkt dat de Maltese regering onvoldoende middelen had om de opvang goed te regelen en er diverse malen immigranten uitbraken uit de gesloten en door het leger beheerde opvangcentra, uit woede om de slechte leefomstandigheden. Verder blijkt volgens eiser uit een artikel in OneWorld van 3 september 2019 dat personen zonder documenten of met een verlopen visum in detentie worden geplaatst.

Dit kan onder bepaalde voorwaarden voor onbepaalde tijd worden verlengd. Ook blijkt uit dit artikel dat de open centra op verlaten industriegebieden liggen zonder verdere faciliteiten. Gezien de wijze waarop Malta met asielzoekers omgaat is het volgens eiser niet reëel te verwachten dat Malta een klacht van een asielzoeker over deze zaken serieus zal nemen. Eiser concludeert dan ook op basis van het voorgaande dat hij niet teruggestuurd kan worden naar Malta omdat hij daar een behandeling te vrezen heeft in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van het Handvest.

3. De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) volgt dat informatie uit een andere lidstaat waaruit blijkt dat de vreemdeling daar als meerderjarig staat geregistreerd, volstaat om de vreemdeling ook in Nederland als meerderjarig aan te merken.1 Dit kan alleen als de vreemdeling geen authentieke, identificerende documenten heeft overgelegd. Verweerder mag er op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in beginsel vanuit gaan dat de registratie in een andere lidstaat zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Het feit dat er in Malta een specifieke datum uit het onderzoek is gekomen maakt dit niet anders. Eiser heeft in Nederland dezelfde datum genoemd als zijn geboortedatum, maar dan uit 2002. Het is dan ook een eiser om aannemelijk te maken dat de in Malta geregistreerde leeftijd onjuist is.

1. Uitspraken van de ABRvS: 17 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:134; 9 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2159; 29 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3288 en 7 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1910. Eiser is hier naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd omdat hij geen identificerende documenten heeft overgelegd die zijn minderjarigheid onderbouwen. De bewijslast en dus ook het bewijsrisico liggen bij eiser. Dat eiser wat betreft de identificerende documenten in bewijsnood verkeert, is zonder nadere onderbouwing niet aannemelijk. Verweerder is op goede gronden uitgegaan van de meerderjarigheid van eiser.

4. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder niet onterecht het onderzoek naar de leeftijd van eiser in Malta heeft opgezet. Uit paragraaf 2.3.3. van de werkinstructie WI 2018/19 van verweerder omtrent de leeftijdsschouw blijkt dat er een onderzoek kan worden opgezet wanneer er twijfel bestaat over de leeftijd van eiser. Deze werkwijze als zodanig acht de rechtbank niet onredelijk of onzorgvuldig. In het onderhavige geval was er twijfel bij de leeftijdsschouw, omdat de AVIM eiser als evident minderjarig aanmerkten en verweerder aangaf dat er twijfel bestond over de opgegeven leeftijd. De onderzoeken bij de AVIM en de IND hebben onafhankelijk van elkaar plaatsgevonden en beide partijen hebben omschreven op basis van welke punten zij tot hun conclusie kwamen. Het gegeven dat de conclusies en sommige observaties van elkaar afwijken maakt juist dat er onderzoek gedaan moest worden. Dit onderzoek heeft verweerder dan ook op goede gronden gedaan. De grond slaagt niet.

5. De rechtbank overweegt verder dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Malta uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan. Eiser is hier niet in geslaagd.

6. Eiser heeft geen informatie overgelegd die aanleiding geeft voor het oordeel dat in het Maltese asiel- en opvangsysteem sprake is van systematische tekortkomingen of dat er een reëel risico is op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Het artikel uit Het Parool laat weliswaar zien dat er problemen zijn voor asielzoekers die via zee aankomen, maar dit is niet van toepassing op de situatie van eiser als Dublinterugkeerder. Het aangehaalde artikel van Wikipedia dateert uit 2013 en kan om die reden niet meer relevant worden geacht.

Ook uit het artikel van OneWorld volgt dat er moeilijkheden zijn voor asielzoekers op Malta, maar er blijkt ook dat zij nog steeds opvang krijgen. Ook uit de eigen verklaringen van eiser blijkt dat hij in opvang heeft verbleven op Malta. Dat eiser stelt dat hij gedurende een periode in detentie heeft verbleven maakt nog niet dat er sprake is van onmenselijke behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Eiser is daarna doorgeplaatst naar een ander kamp en vervolgens naar een huisje met andere mensen. Daarbij komt dat dit niet aannemelijk maakt dat eiser bij terugkeer als Dublinclaimant opnieuw in detentie zal worden geplaatst.

Bovendien heeft de ABRvS in haar uitspraak van 23 januari 20142 overwogen dat een mogelijke detentie niet tot het oordeel leidt dat Nederland de behandeling van het asielverzoek onverplicht aan zich moet trekken. Door met de overdracht van eiser in te stemmen hebben de autoriteiten van Malta gegarandeerd dat zij het asielverzoek van eiser in behandeling zullen nemen en overeenkomstig het bepaalde in het EVRM en het Handvest zullen handelen. Indien eiser meent dat Malta zich niet aan de internationale verplichtingen houdt, kan hij zich hierover beklagen bij de autoriteiten van Malta en indien nodig, bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).

Niet is gebleken dat deze mogelijkheid voor eiser niet bestaat of dat klagen bij voorbaat zinloos is. 2 ECLI:NL:RVS:2014:254.

7. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd en zorgvuldig heeft voorbereid.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff - Vos, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken. De uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op: 04 augustus 2020 Documentcode: [documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.