Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2019:8733 ECLI:NL:RBDHA:2019:8733 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2019:8733 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2019:8733
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL19.17139 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser (gemachtigde: mr. M.E. Muller), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 juli 2019 (het bestreden besluit). Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Overwegingen 1. Eiser heeft in Nederland een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft Duitsland verzocht eiser terug te nemen, omdat eiser eerder daar een asielverzoek heeft ingediend. De Duitse autoriteiten hebben met dit terugnameverzoek ingestemd.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2019:8733 · Rechtbank Den Haag: Niet is in geschil dat eiser bij zijn eerdere asielverzoek in Duitsland én ook bij deze aanvraag in Nederland heeft verklaard minderjarig te zijn. Ter beantwoording ligt de vraag of verweerder op basis van de leeftijdsregistratie van eiser in Duitsland terecht is uitgegaan van de meerderjarige leeftijd van eiser. Eiser betwist dat in Duitsland een (deugdelijk) leeftijdsonderzoek heeft plaatsgevonden, waarbij hem de geboortedatum [geboortedatum] toegekend.

Keywords

AI generated
central register of foreign nationals asylum for minors applicability of immigration law delayed asylum application recognition of refugee status proof of minority

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2017:134
201604688/1/V3 Datum uitspraak: 17 januari 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 16 juni 2016 in zaak nr. 16/10627 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 18 mei 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2017:2219
201608024/1/V3 Datum uitspraak: 15 augustus 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 14 oktober 2016 in zaak nr. 16/13942 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 24 juni 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2018:1910
201709131/1/V3. Datum uitspraak: 7 juni 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 9 november 2017 in zaak nr. NL17.11331 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 23 oktober 2017 heeft de staatssecretaris (lees: de minister van Veiligheid en Justitie) een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL19.17139 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser (gemachtigde: mr. M.E. Muller), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 juli 2019 (het bestreden besluit). Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Overwegingen 1. Eiser heeft in Nederland een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft Duitsland verzocht eiser terug te nemen, omdat eiser eerder daar een asielverzoek heeft ingediend. De Duitse autoriteiten hebben met dit terugnameverzoek ingestemd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

3. Op wat eiser hiertegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan. De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Niet is in geschil dat eiser bij zijn eerdere asielverzoek in Duitsland én ook bij deze aanvraag in Nederland heeft verklaard minderjarig te zijn. Ter beantwoording ligt de vraag of verweerder op basis van de leeftijdsregistratie van eiser in Duitsland terecht is uitgegaan van de meerderjarige leeftijd van eiser. Eiser betwist dat in Duitsland een (deugdelijk) leeftijdsonderzoek heeft plaatsgevonden, waarbij hem de geboortedatum [geboortedatum] toegekend.

5. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) mag verweerder in beginsel uitgaan van de juistheid van de registratie in een andere lidstaat. Het is dan aan eiser om aannemelijk te maken dat deze geregistreerde geboortedatum onjuist is.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de in Duitsland geregistreerde geboortedatum onjuist is. De enkele betwisting van het leeftijdsonderzoek en de toegekende geboortedatum is hiervoor onvoldoende. Dat eiser zelf niet die datum als geboortedatum heeft opgegeven, betekent niet dat verweerder ten onrechte van die geboortedatum is uitgegaan. Eiser heeft geen authentieke, identificerende documenten overgelegd om aannemelijk te maken dat hij wél minderjarig is. Het betoog van eiser dat in Duitsland sprake is geweest van miscommunicatie en dat hij in Duitsland de tolk niet goed kon verstaan, heeft hij niet onderbouwd en kan reeds daarom niet slagen. Verweerder heeft dan ook terecht de Duitse gegevens overgenomen, is terecht uitgegaan van de meerderjarige leeftijd van eiser en was niet gehouden om eiser (opnieuw) een leeftijdsonderzoek aan te bieden.

7. De rechtbank volgt niet de stelling van eiser dat sprake is van onzorgvuldigheid in de besluitvorming, omdat eerst bij het bestreden besluit de uit Duitsland verkregen onderzoeksgegevens zijn bijgevoegd. Eiser heeft weliswaar bij de zienswijze niet kunnen reageren op deze gegevens, maar heeft in beroep ook niet onderbouwd waarom een eerdere reactie nodig zou zijn geweest dan wel dat hij daardoor ook nu nog in zijn belangen zou zijn geschaad.

8. Met het terugnameakkoord van 29 mei 2019 hebben de Duitse autoriteiten gegarandeerd om de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag ervan worden uitgegaan dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen. Eiser heeft niet met documenten of anderszins aangetoond dat niet van dit uitgangspunt kan worden uitgegaan. Ook met zijn persoonlijke relaas heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat verweerder ten aanzien van Duitsland ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Bij voorkomende problemen in de opvang en de asielprocedure dient eiser te klagen bij de Duitse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dat voor hem niet mogelijk is.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Paulus, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 15 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:134), 15 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2219) en 7 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1910) Richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn), Richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn) en Richtlijn 2013/33/EU (Opvangrichtlijn).